Geloof en wetenschap. Twee verschillende werelden of niet? De komende weken benaderen wij verschillende theorieën en invalshoeken over religie en wetenschap. Waarom? Omdat dit debat er belangrijk is voor veel mensen. Scientias.nl zet ideeën, vermoedens en harde feiten op een rij, zodat u aan het eind van de reeks een beter beeld krijgt over het debat.

In het eerste deel gaan we in op het ontstaan van het debat tussen geloof en wetenschap. Ook onderzoeken we of beide ondernemingen vredig naast elkaar kunnen leven. Daarna behandelen we de eerste invalshoek: Intelligent Design.

Geloof en wetenschap: lange tijd op één lijn

Eigenlijk werden verhalen over de schepping van de wereld en de mens al in de Griekse oudheid in twijfel getrokken. Filosofen namen de realiteit waar en probeerden daar verklaringen in te vinden. Deze ervaringskennis was moeilijk inzichtelijk te maken. De oude Grieken konden constateren dat iets zo en zo was, maar niet waarom het zo was.

De opkomst van het christelijk geloof zorgde ervoor dat de vroegere kerkvaders, zoals Ambrosius en Augustinus, gingen zoeken naar inzichtelijke argumenten voor het geloof. Zij waren van mening dat antwoorden op vragen als ‘de vraag naar oosprong’ en ‘de zin van het bestaan’ gevonden kon worden in Bijbelse geschriften.

De grote omslag vond plaats tussen 1550 en 1700. De ervaring, het experiment en de waarneming werden steeds belangrijker, waardoor wetenschap niet meer alleen op logisch denken en inzicht werd gebasseerd. Nieuwe visies en inzichten van Galilei Copernicus en Newton zorgden niet voor een afkeer tegen het geloof. “Toen de natuurwetenschappen steeds meer structuur, orde en wetmatigheid vonden in de kosmos zagen de theologen daarin juist de scheppende kracht van God”, beweert Rogeer Hoedemaekers in het boek ‘Iets of niets’. “En toen in de tweede helft van de achttiende en begin negentiende eeuw steeds meer orde, structuur en complexiteit in biologische organismen werd ontdekt, werden ook deze geïnterpreteerd als bewijs van Gods grootheid en almacht.”

Pas sinds de publicatie van Darwins ‘Origin of Species’ is er een verhit debat ontstaan tussen geloof en wetenschap. Uit deze publicatie blijkt dat dieren evolueren en dat de mens afstamt van de aap. Dit kon (en kan) er bij veel gelovigen niet in.

Niet Overlappende Magisteria: waardering voor religie én wetenschap

Sinds de opkomst van de evolutietheorie passen religie en wetenschap niet meer samen door één deur. Maar waarom eigenlijk? Is dat wel nodig? Nee, vindt auteur Stephen Jay Gould, auteur van het boek ‘God en Darwin’. “Ik weet niet hoe natuurwetenschap en religie binnen een gemeenschappelijk stelsel van analyse of verklaring verenigd of zelfs tot één geheel gemaakt zouden kunnen worden, maar evenmin waarom die twee ondernemingen een onderling conflict zouden moeten voelen”, zegt agnost Gould in de inleiding. “De natuurwetenschappen streven ernaar de werkelijkheid van de natuur in kaart te brengen en theorieën op te stellen die de aangetroffen feiten met elkaar in verband brengen en verklaren. De religie beweegt zich daarentegen op het even belangrijke, maar geheel verschillende terrein van de menselijke strevingen, zingeving en waarden. Onderwerpen die binnen het feitelijk domein van de natuurwetenschappen wel verhelderd, maar nooit opgelost worden.”

Gould heeft een benaming voor het principe dat hij aanhangt: het NOMA-principe. NOMA staat voor ‘Niet Overlappende Magisteria’. Oftewel: natuurwetenschappen en religie hebben een eigen bereik (magisterium) waarbinnen ze uitspraken mogen doen. De twee partijen overlappen elkaar niet, want dan houdt één van de twee zich niet aan het magisterium.

Wat houdt dit precies in? Een simpel voorbeeld: wetenschappers vinden het bot van een dinosaurus. Volgens de natuurwetenschap is dit bot 65 miljoen jaar oud. Gould meent dat christenen hier niet tegenin mogen gaan zonder hard bewijs. De wetenschappers hebben immers gedegen onderzoek verricht. Stel, christenen gaan er wel tegenin, dan botsen magisteria. Andersom geldt het ook: christen geloven in één God. Wetenschappers mogen niet beweren dat God niet bestaat, omdat er geen bewijs is. De natuur is wat zij is en kan per definitie geen antwoord geven op religieuze vragen over God, zin en ethische waarden.

Stel, christenen, moslims, atheïsten, wetenschappers en agnosten kiezen geen gulden middenweg en kennen geen aanzien toe aan beide zaken, dan zijn er volgens Gould twee mogelijke uitwegen: 1. de oorlog tussen wetenschap en religie breekt uit: één van de twee wint; of 2. wetenschap en religie staan voor dezelfde zoektocht en kunnen volledig en soepel in één grootse synthese verenigd worden, net als een grote wassen bal zonder scherpe kanten of uitstekende punten.

God als superingenieur

Het NOMA-principe geeft geen antwoord op de vraag: wie heeft gelijk? Is een intelligente schepper verantwoordelijk voor het ontstaan van het heelal, of is alles willekeurig ontstaan? Deze vraag is makkelijk te beantwoorden: geen idee. Op dit moment zijn er genoeg redenen voor beide kampen om gelijk te hebben. Toch kan er maar één de ‘winnaar’ zijn. Maar wie?

De belangrijkste vraag is misschien wel: waarom heeft er in ons heelal leven kunnen ontstaan? Auteur Rogeer Hoedemaekers noemt het in zijn boek ‘Iets of niets?’ erg opvallend dat het heelal zo goed in elkaar zit. “Het heelal wekt sterk de indruk dat het is ‘afgesteld’, zodat het zich daarna zelfstandig heeft kunnen ontwikkelen”, zegt Hoedemaekers.

Eigenlijk is het een wonder dat er leven in ons heelal mogelijk is. Als het universum na het ontstaan te snel of te langzaam groeide, dan zouden er geen sterren en planeten zijn ontstaan. Nog een voorbeeld: op dit moment is de massaverhouding tussen elektron en proton 1/1836. Hoedemaekers: “Alleen zo ontstaan er lange kettingachtige moleculen. Een hele kleine verandering in deze verhouding zou de maat en de lengte van de ringen in bijvoorbeeld het DNA-molecuul zo veranderen dat dit zich niet had kunnen delen en reproduceren.”

Dit zijn slechts enkele voorbeelden waarom sommige wetenschappers het zeer onwaarschijnlijk achten dat het heelal bij toeval is ontstaan. Misschien is er wel een superingenieur aan het werk geweest. Michael Behe, een Amerikaans biochemicus, geeft een simpel voorbeeld: “Een muizenval bestaat uit een plankje, een metalen beugel, een veer, een grendel en een scharnierend stukje hout. Alle onderdelen zijn nodig voor het functioneren van de muizenval. Verwijder één onderdeel en het geheel werkt niet meer.” Dit is een soort onherleidbaar complex systeem. Andere concrete voorbeelden zijn het mechanisme van bloedstolling, trilharen, de werking van het oog, het immuunsysteem en de zweepstaart van de bacterie E. coli.

Aanhangers van Intelligent Design – een creationistische beweging – geloven in een intelligente ontwerper. Intelligent design wordt overigens gezien als pseudowetenschap en geen harde wetenschap. Er zijn genoeg tegenstanders die beweren dat het heelal goed in elkaar zit, maar niet perfect. Net als het christendom en de islam is Intelligent Design een kwestie van geloof en vertrouwen. Of het klopt? Dat laten we in het midden.

Lees ook deel 2: Een heelal zonder God