Dat suggereert onderzoek van de universiteit van Gent.

Bij meer dan 3,5 miljoen mensen wereldwijd is het nieuwe coronavirus SARS-CoV-2 vastgesteld. En vrijwel elk land weet zich met het nieuwe virus geconfronteerd. Maar het virus slaat niet in elk land even hard toe. Hoe komt dat? Wetenschappers proberen dat al een tijdje te verklaren. En vaak wordt daarbij allereerst gekeken naar het virus zelf, zo vertelt professor Joris Delanghe, verbonden aan de Universiteit van Gent. “Het zou gemuteerd zijn, of het kan beter of slechter tegen de omstandigheden in een bepaald land.” Ook wordt er vaak gekeken naar de getroffen maatregelen; die verschillen eveneens van land tot land. En hoewel die maatregelen natuurlijk van invloed zijn op de mate waarin het virus zich kan verspreiden en dus de ernst van de situatie, hebben we al die tijd een belangrijke factor over het hoofd gezien, zo stellen Delanghe en collega’s. Namelijk: onze genen.

ACE1-gen
De onderzoekers trekken die conclusie nadat ze eerst op zoek gingen naar een aantal genen die mogelijk een rol spelen in de ontwikkeling van COVID-19 en waarvan verschillende varianten (ook wel polymorfismen genoemd) bestaan. Vervolgens zochten ze in wetenschappelijke databanken hoe vaak die genvarianten voorkomen onder de bevolking van 33 landen in Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Daarna keken ze hoe hard het virus in elk van deze landen toesloeg.


En al snel ontdekten ze dat er een verband was tussen de ernst van de situatie en een specifieke variant van het zogenoemde ACE1-gen: het D-polymorfisme. Hoe meer mensen in een gegeven land deze variant van het ACE1-gen bezaten, hoe minder besmettingen en overlijdens er genoteerd werden. “In grote lijnen komt het D-polymorfisme van het ACE1-gen bijvoorbeeld vaker voor naarmate je oostelijker in Europa gaat,” zo vertelt Delanghe. “Tegelijk zie je dat de ernst van de COVID-19-epidemie afneemt als je van West- naar Midden- en Oost-Europa gaat.”

Verklaring
Volgens Delanghe en collega’s kunnen verschillen tussen het aantal besmettingen in verschillende landen tot 41% verklaard worden door door het voorkomen van deze specifieke genvariant. En wanneer de onderzoekers ook rekening hielden met het feit dat het startmoment van de epidemie van land tot land verschilt, bleek de genvariant zelfs tot 48% van de verschillen die we van land tot land zien te kunnen verklaren.

De genvariant is dus lang niet de enige factor die van invloed is op de mate waarin landen met COVID-19 te kampen krijgen. En dat is logisch, zo vertelt Delanghe, want landen verschillen op nog veel meer – voor dit virus relevante – manieren van elkaar. “Niet alleen de gezondheidspolitiek, ook het medisch aanbod van elk land, de gemiddelde leeftijd van de bevolking, de co-morbiditeiten (obesitas, hoge bloeddruk, diabetes, etc.), het ontstaansmoment van de pandemie in elk land, de discipline van de bevolking om de maatregelen op het volgen, het klimaat…” Het is zomaar een greep uit de verschillen die we van land tot land zien en die van invloed (kunnen) zijn op het verloop van een epidemie. “Wat wij gevonden hebben, is dat ongeveer 40% van de variantie qua voorkomen en sterfte van COVID-19 verklaard kan worden door het genetisch polymorfisme,” legt Delanghe aan Scientias.nl uit. “Met andere woorden: ongeveer 60% wordt precies door al die andere verschillen verklaard. Om die reden moet je een groot aantal landen onderzoeken, maar anderzijds niet te veel landen, aangezien anders deze andere verschillen te groot kunnen worden en het signaal minder goed zichtbaar wordt.”


Verband tussen ACE1 en COVID-19
Deze genvariant van ACE1 lijkt dus een behoorlijke rol te spelen in het verloop van de pandemie. Maar hoe dan? Dat is nog niet helemaal duidelijk, maar Delanghe en collega’s hebben er wel ideeën over. Zo is uit eerder onderzoek gebleken dat het ACE1-gen de expressie van het ACE2-gen beïnvloedt. En het D-polymorfisme blijkt daarbij samen te hangen met een verminderde expressie van het ACE2-gen. Wat weer leidt tot een verminderde productie van een ACE2-eiwit. Dit eiwit treffen we aan in de cellen van onze luchtwegen en wordt door het coronavirus gebruikt om deze cellen aan te vallen. “Het lijkt zeer aannemelijk dat de link tussen ACE1 en COVID-19 via het ACE2 verloopt,” stelt Delanghe.

Behandeling
De onderzoekers hopen dat hun werk ertoe kan leiden dat we – door ook te kijken naar genetische informatie – beter in staat zijn om het verloop van de epidemie in een bepaald land of bepaalde regio te voorspellen. Daarnaast biedt het onderzoek mogelijk ook aanknopingspunten voor het ontwikkelen van een effectieve behandeling voor coronapatiënten. “Men zou kunnen ingrijpen op de expressie van het aantal ACE2-receptoren. In de eerste fase van de ziekte heeft het virus deze receptoren nodig om een cel te kunnen binnendringen.”

Verschillen in ziekteverloop
En wellicht kan het onderzoek ook helpen verklaren waarom sommige mensen na infectie door SARS-CoV-2 letterlijk doodziek worden, terwijl anderen er slechts met milde symptomen af komen. “Aangezien deze polymorfismen rechtstreeks ingrijpen op het ziekteproces, kan dit tot op zekere hoogte wellicht het verschil in ernst van de symptomen verklaren. Harde gegevens hierover hebben we nog niet. Op dit moment zijn onze genetische gegevens nog te grofmazig om kleinere regionale verschillen te verklaren.”

Vaccin
Of genen straks ook een rol van betekenis gaan spelen wanneer overheden moeten beslissen wie er als eersten tegen het nieuwe coronavirus gevaccineerd gaan worden, is nog onduidelijk. Het lijkt aannemelijker dat er dan in eerste instantie naar andere factoren gekeken wordt, zo stelt Delanghe. “Het is evident dat je eerst de mensen met het grootste risico op een ernstig ziekteverloop moet beschermen. Dit zijn in de eerste plaats de ouderen. Ongeacht de genetica is leeftijd een erg belangrijke risicofactor bij de prognose van een COVID-19 infectie. In de twee plaats dient de voorkeur uit te gaan naar mensen met één of meerdere klassieke risicofactoren (bijvoorbeeld hypertensie, diabetes, obesitas). Genetica zal hier vermoedelijk slechts een zeer secundaire rol spelen.”

Terwijl een vaccin nog ver weg lijkt, zetten Delanghe en collega’s hun onderzoek naar genvarianten en hun rol in de pandemie onvermoeid voort. Zo blijven ze zoeken naar andere genetische polymorfismen die van betekenis kunnen zijn in het ziekteverloop. Daarnaast zijn ze – als daar geld voor beschikbaar komt – voornemens te kijken in hoeverre het D-polymorfisme van het ACE1-gen onder Gentse coronapatiënten voorkomt.