Kan gentech ons helpen om in 2050 alle 10 miljard monden te voeden?

Naar schatting zijn er wereldwijd een slordige 815 miljoen mensen die honger lijden, zo maakte de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) vorig jaar bekend. Het gaat dan om zo’n elf procent van de totale wereldbevolking. Het zijn schokkende cijfers. Zeker als je bedenkt dat de wereld er wel eens beter voor heeft gestaan: jarenlang nam het aantal mensen dat honger leed namelijk af. Tot 2016: opeens werden – in vergelijking met 2015 – 38 miljoen meer mensen met honger geconfronteerd. Wereldhonger is dus weer een groeiend probleem (zie kader).

Waarom neemt het aantal mensen dat honger lijdt, toe?
De Wereldgezondheidsorganisatie wijt het onder meer aan conflicten en oorlogen. Maar liefst 489 miljoen van de 815 miljoen mensen die honger lijden, wonen in een gebied dat midden in een conflict zit. Ook klimaatverandering – vaak tevens één van de drijvende krachten achter conflicten – speelt een belangrijke rol. De opwarming van de aarde resulteert naar verwachting in meer extreme weersgebeurtenissen – denk aan hittegolven of extreme neerslag of droogte – die de voedselzekerheid ernstig in de weg kunnen zitten.

Ook anno 2018 blijft het – met alle kennis en kunde die we hebben – dus lastig om alle monden te voeden. En dat is extra verontrustend als je bedenkt dat we te maken hebben met twee trends. Allereerst gaat de opwarming van de aarde – één van de drijvende krachten achter de wereldhonger – gewoon door, waardoor het in veel gebieden alleen maar lastiger wordt om gewassen te verbouwen. Tegelijkertijd zal de vraag naar voedsel alleen maar toenemen, omdat de wereldbevolking blijft groeien: tegen 2050 zijn we naar verwachting met zo’n 10 miljard. Het ziet er weinig rooskleurig uit. En toch heeft de VN zich ten doel gesteld om wereldhonger tegen 2030 de wereld uit te helpen. Zo’n ambitieus doel vraagt om ambitieuze middelen en dan dwalen de gedachten toch snel af naar gentech, oftewel genetisch gemodificeerde gewassen. Zijn zij het antwoord op het wereldvoedselprobleem?

Vraagtekens

Genetisch gemodificeerde gewassen zijn niet onomstreden. Zo zijn sommige mensen bang dat genetische gemodificeerde gewassen zich gaan kruisen met niet-aangepaste gewassen, waardoor de modificatie onbedoeld in het laatstgenoemde gewas terecht komt. “Er is echter geen enkel bewijs dat dit een rol speelt. Bovendien zijn er strenge regels voor het verbouwen van genetisch gemodificeerde gewassen, zo moet er altijd een bepaalde zone zitten tussen gemodificeerde en niet-gemodificeerde gewassen,” aldus Bouma. Ook over de veiligheid van genetisch gemodificeerde gewassen is veel discussie. Het is volgens Bouma deels te herleiden naar de term: genetisch gemodificeerd. “Mensen vinden dat eng. Maar in feite is het vervangen van een gen een versnelde manier van veredeling.” Wil dat dan zeggen dat het ethisch verantwoord is om een gewas klakkeloos een bepaalde eigenschap mee te geven? Zover wil Bouma ook weer niet gaan. Zo zet hij zelf bijvoorbeeld grote vraagtekens bij het zo aanpassen van gewassen dat ze ongevoelig worden voor onkruidverdelgers. Het kan er immers zomaar tot leiden dat er gemakkelijker met onkruidbestrijdingsmiddelen wordt omgesprongen, omdat de gewassen er toch geen last van hebben. “Maar dat gif komt wel in de bodem en het grondwater terecht.” Bestrijden van onkruid met robot-wiedapparaten biedt een beter perspectief.

Genetisch gemodificeerde gewassen
Genetisch gemodificeerde gewassen zijn er al een tijdje en de kans is groot dat je ze al eens gegeten hebt. Genetisch gemodificeerd soja en mais zijn bijvoorbeeld al behoorlijk ingeburgerd. Het zijn gewassen waarbij het DNA verrijkt is met genen afkomstig van andere planten, waardoor het gewas een bepaalde begeerlijke eigenschap krijgt. “Zo zijn er bijvoorbeeld genetisch gemodificeerde gewassen die door zo’n aanpassing een groter wortelstelsel hebben gekregen, waardoor ze beter bestand zijn tegen droogte,” vertelt emeritus professor Johan Bouma, als bodemwetenschapper verbonden geweest aan de Wageningen University. Op vergelijkbare wijze kunnen gewassen worden verkregen die bestand zijn tegen insecticiden of ziekten en plagen omdat ze ongevoelig zijn gemaakt voor onkruidverdelgers (zie ook het kader hiernaast). Kortom: deze genetische gemodificeerde gewassen kunnen in een gegeven gebied met de juiste aanpassingen leiden tot een veel rijkere oogst dan hun niet-gemodificeerde soortgenoten, aangenomen dat alle andere teeltmaatregelen ook goed worden uitgevoerd.

Toepassing
Daarmee lijken genetisch gemodificeerde gewassen een passend antwoord op het wereldvoedselprobleem. Maar Bouma is sceptisch. “Het onderzoek naar genetisch gemodificeerde gewassen draait voornamelijk om het verkrijgen van een gewas met aantrekkelijke eigenschappen.” Hoe het zo’n gewas vervolgens in de echte wereld vergaat: daar wordt onvoldoende op gefocust. “Men vergeet de rest van de voedselketen: de productie, groei en consumptie,” somt Bouma op. Het zit de potentie van genetisch gemanipuleerde gewassen in de weg, zo denkt de emeritus professor. Hij illustreert dat aan de hand van een voorbeeldje dat volgens hem laat zien hoe het wél zou moeten. “In Wageningen heeft professor Edith Lammerts van Bueren biologische aardappels gekruist met andere rassen om ze minder gevoelig te maken voor schimmels en dat is aardig gelukt. Een wezenlijk element van haar studie is dat ze heeft samengewerkt met telers en boeren en winkels. Ze heeft haar onderzoek dus gekoppeld aan de mensen die er uiteindelijk echt mee aan de slag moeten gaan.” En dat ziet Bouma in het geval van de genetisch gemodificeerde gewassen onvoldoende gebeuren. “En dan vraag ik me af: gaat dat landen? Zeker als je weet dat er in ontwikkelingslanden nauwelijks of geen getrainde boeren of veredelaars te vinden zijn. Dan bestaat toch de kans dat die genetisch gemodificeerde gewassen daar straks niet eens gebruikt gaan worden omdat andere productiefactoren zoals de bodemvruchtbaarheid tekort schieten.”

“Claims dat 50% van ons voedsel in 2050 genetisch gemodificeerd is, zijn niet te onderbouwen”

Magic bullet
Als het aan Bouma ligt, laten we heel die eenzijdige benadering van het wereldvoedselprobleem sowieso varen. “Er is niet één magic bullet,” onderstreept hij. Dat wordt ook wel duidelijk als we kijken naar de oorzaak van het wereldvoedselprobleem. Vaak wordt er gesteld dat er een tekort aan voedsel is. Maar dat is niet zo. “Er is genoeg voedsel, het is alleen ongelijk verdeeld,” stelt Bouma. En een groot deel ervan gaat ook onnodig verloren. “Naar schatting gaat er in ontwikkelingslanden bijvoorbeeld zo’n 30 procent van het voedsel verloren tijdens het transport van de boer naar consument. Simpelweg omdat de wegen slecht zijn en er onvoldoende of helemaal geen koeling is. En in ons deel van de wereld – dat noemen ze dan ontwikkeld – gooien we zo’n 30 procent van het voedsel weg.” Het zijn problemen die we óók moeten aankaarten als we de wereldhonger naar het rijk der fabelen willen verbannen. “Op het moment dat duidelijk wordt dat er in 2050 10 miljard mensen op aarde zijn en er 70% meer voedsel nodig is, gaan alle disciplines los. Hydrologen roepen dat de nadruk moet liggen op de watervoorziening, bodemwetenschappers vinden dat de bodem en de bemesting verbeterd moet worden en biologen pleiten voor meer rassen. Maar uiteindelijk moet je iets gemeenschappelijks ontwikkelen wat ook echt beklijft.” Bouma ziet genetisch gemodificeerde gewassen dan ook zeker niet als dé oplossing. “Maar ze gaan wel een significante rol spelen. Claims dat 50% van ons voedsel in 2050 genetisch gemodificeerd is, zijn echter niet te onderbouwen.”

Afbeelding: kridneh / Pixabay.

Holistische benadering
Als het aan Bouma ligt, zetten we dus in op een holistische benadering. “Kijk naar de beperkingen van een land of streek: naar de bodem, de beschikbare hoeveelheid water, de impact van klimaatverandering, en, vooral, naar de politieke en sociaal-economische situatie.” En dan met een plan de campagne komen. Hoe groot de rol van genetisch gemodificeerde gewassen in dat plan precies zal zijn? Dat zal van land tot land verschillen. “In ontwikkelde landen zullen ze bijvoorbeeld een andere rol spelen dan in Afrika.” Overigens moeten we de problemen van zo’n holistische benadering niet onderschatten; dat zal nog een hele opgave worden. “Het probleem is dat we in ons wetenschappelijk onderzoek toch sterk disciplinair bezig zijn,” stelt Bouma. En voor dit probleem zullen onderzoekers over de grenzen van hun eigen onderzoeksgebied moeten stappen om in nauwe samenwerking met collega’s tot een oplossing te komen en dat in voortdurende dialoog met de toekomstige gebruikers, de lokale boeren.

Bouma is echter optimistisch. De honger de wereld uit helpen? “In theorie kan het en die theorie is ook nog eens goed te onderbouwen.” Maar gaat het ook – zoals de VN graag wil – voor 2030 lukken? “In principe is dat mogelijk. Maar niks gaat natuurlijk vanzelf. En dit zeker niet.”

Wil je meer weten over de zin en onzin rond genetisch gemodificeerd voedsel, de oplossingen voor het wereldvoedselprobleem, duurzaamheid en diversiteit? Professor Johan Bouma vertelt er – samen met collega’s – alles over tijdens de wetenschapsweek Frontiers of Life Sciences (29 januari-2 februari). Tijdens deze week staat het onderzoek naar het leven zelf centraal en zullen vooraanstaande wetenschappers hun onderzoek presenteren en je meenemen naar de frontlinies van hun eigen werk en dat van collega’s. De week is bedoeld voor iedereen met 3-vwo-niveau of verder en een warme belangstelling voor het onderwerp.