Ze blijken er in ieder geval geen unieke genen voor nodig te hebben.

Franse onderzoekers brachten het genoom van vier verschillende soorten truffels – waaronder de veelgeprezen witte truffel en zomertruffel – in kaart. Vervolgens vergeleken ze dat met het genoom van de zwarte truffel en enkele schimmelsoorten die geen truffels vormen.

De onderzoekers hadden verwacht op nogal wat genetische diversiteit te stuiten, zeker aangezien de soorten zich soms honderden miljoenen jaren geleden al een tak aan de evolutionaire stamboom hadden toegeëigend. Maar verrassend genoeg bleken de verschillende soorten genetisch gezien nogal sterk op elkaar te lijken. Zo blijken bijvoorbeeld de kenmerkende geuren die de verschillende truffelsoorten voortbrengen niet het resultaat te zijn van een unieke genenset. In plaats daarvan beschikken de soorten min of meer allemaal over dezelfde genen, maar produceren ze hun kenmerkende geur door elk weer net andere genen tot uiting te laten komen. Ook bleken de verschillende truffelsoorten genen te delen die verband houden met hun nauwe samenwerking (symbiose) met planten en hun vaardigheid om voedingsstoffen uit de bodem te halen.


Truffels zijn eigenlijk niets anders dan de met sporen gevulde vruchten van zwammen die onder de grond groeien, op de wortels van bomen en planten. Schimmelsoorten die truffels voortbrengen zijn onafhankelijk van elkaar wel meer dan 100 keer geëvolueerd. Maar hoe die evolutie precies in zijn werk ging; daar hebben onderzoekers nog veel vragen over. Om daar meer inzicht in te krijgen, heeft men het 1000 Fungal Genomes Project in het leven geroepen.