Onderzoekers gaan op zoek naar een genetische onderbouwing voor seksuele geaardheid.

Dat is te lezen in het blad Scientific Reports. “Omdat seksualiteit een essentieel onderdeel is van het menselijk leven, is het belangrijk om de ontwikkeling en uiting van menselijke seksuele geaardheid te begrijpen,” zegt hoofdauteur Alan Sanders. “Het doel van deze studie was om te zoeken naar genetische onderbouwing van mannelijke seksuele geaardheid, en zo uiteindelijk onze kennis van biologische mechanismen die ten grondslag liggen aan seksuele geaardheid te vergroten.”

Associatiestudie
Sander en zijn team voerden een genoom-brede associatiestudie uit in een poging om specifieke veranderingen in genen te vinden die homo- en heteroseksuele mannen onderscheiden. Voor dit onderzoek werden er 1077 homoseksuele mannen en 1231 heteromannen (de meeste van Europese afkomst) verzameld. De mannen moesten DNA afgeven door middel van bloed- of speekselmonsters. Deze werden vervolgens geanalyseerd.

Chromosomen
De meeste genetische variaties vonden de onderzoekers op chromosoom 13 en 14, in de buurt van genen die mogelijk te maken hebben met de ontwikkeling van de seksuele geaardheid. De meest waarschijnlijke plek op chromosoom 13 die het meest geassocieerd wordt met homoseksualiteit ligt tussen de genen SLITRK5 en SLITRK6 in. Maar het meest opvallende verschil vonden de onderzoekers op chromosoom 14 in de buurt van het TSHR gen – een gen dat betrokken is bij het functioneren van de schildklier. Al eerder bleek dat een afwijkende schildklierfunctie en seksuele geaardheid met elkaar in verband staan. Nu hebben de onderzoekers genetische varianten van het TSHR-gen gevonden die mogelijk kunnen bijdragen aan het verklaren van deze relatie.

“Er zijn miljoenen stukjes DNA die per persoon verschillen. Daarom zijn zeer grote steekproeven vereist”

Deskundigen
Maar, de onderzoekers houden een stevige slag om de arm wat betreft hun conclusies. Zo benadrukken ze dat de potentiële verbindingen in de associatiegebieden nog steeds speculatief zijn. Ook enkele deskundigen die niet betrokken zijn bij het onderzoek reageerden op de bevindingen. Zo stelt Dr. Nina McCarthy van de universiteit van West-Australië: “Omdat deze studie werd uitgevoerd bij Europese mannen, weten we niet of de bevindingen ook gelden bij homoseksuele vrouwen, of zelfs voor homoseksualiteit bij niet-Europese mannen.” Ook Dr Brendan Zietsch van de universiteit van Queensland heeft zo zijn twijfels. “Het zoeken naar specifieke DNA-variaties die de seksuele geaardheid beïnvloeden is zoeken naar een speld in een hooiberg,” zegt hij. “Er zijn miljoenen stukjes DNA die per persoon verschillen. Daarom zijn zeer grote steekproeven vereist.” Volgens de deskundige is het aantal deelnemers in deze studie te klein geweest. “Zoals te verwachten, detecteerden de onderzoekers geen statistisch bewijs dat hun bevindingen ondersteunt.”

Potentie
Toch heeft het onderzoek wel enige potentie. In een eerder onderzoek naar homoseksualiteit werd er namelijk een verband gerapporteerd tussen mannelijke homoseksualiteit en een genetische variant in een gen genaamd NKAIN3. “Dezelfde NAIN3-variant vertoont zwak bewijs voor een associatie met homoseksualiteit in deze studie,” zegt McCarthy. “Het feit dat er eenzelfde gen (hoewel zwak) wordt geassocieerd met mannelijke homoseksualiteit in twee onafhankelijke studies, betekent dat er mogelijk een associatie kan zijn, hoewel het geen definitief bewijs is.”

Toch blijft het lastig en wellicht onmogelijk om ooit een gen aan te wijzen dat homoseksualiteit volledig onderbouwt. De menselijke seksualiteit is namelijk het resultaat van een zeer complexe reeks van biologische- en omgevingsfactoren. Deze bepalen de seksualiteit voor elk individu op een andere manier. “Vandaar dat de bevindingen van genetische studies over homoseksualiteit hoogstwaarschijnlijk nooit zullen leiden tot een genetische ‘test’ voor homoseksualiteit,” stelt McCarthy.