salk

Het is vandaag 100 jaar geleden dat Jonas Salk ter wereld kwam. En dat viert Google met een doodle. Niet meer dan terecht, want de onderzoeker ging met succes de strijd aan met één van de meest gevreesde ziektes na de oorlog: polio.

Salk studeerde in 1939 af en ging aan de slag als arts in het Mount Sinai Hospital in New York. Maar al snel maakte hij de overstap naar het lab en ging onderzoek doen. Eerst naar een griepvaccin. Later naar polio: een zeer besmettelijke ziekte die na de Tweede Wereldoorlog rond zich heen greep en steeds meer slachtoffers maakte.

Vaccin
In die tijd was reeds bekend dat het mogelijk was om het lichaam antistoffen tegen een bepaald virus te laten ontwikkelen, door het op kunstmatige wijze bloot te stellen aan een onschadelijke vorm van dat virus. Die antistoffen kunnen dan in een later stadium direct in actie komen wanneer het lichaam aan het echte virus wordt blootgesteld. Die methode werd reeds toegepast in de strijd tegen pokken en hondsdolheid. Maar Salk vermoedde dat het mogelijk was om datzelfde te bewerkstelligen zonder cellen in het lichaam met een (weliswaar verzwakt) levend virus te infecteren. Terwijl hij aan het griepvirus werkte, had hij namelijk gezien dat het lichaam ook antistoffen aan gaat maken wanneer het wordt blootgesteld aan dode virussen.

Over polio
Polio is een zeer besmettelijke ziekte die veroorzaakt wordt door een virus. De ziekte treft met name kinderen onder de vijf jaar. De eerste symptomen van de ziekte – die niet genezen, enkel voorkomen kan worden – zijn koorts, vermoeidheid, hoofdpijn, braken, pijn in de ledematen en een stijve nek. Eén op de 200 infecties leidt tot onomkeerbare verlamming, meestal van de benen. Van de mensen die door toedoen van polio verlamd raken, sterft vijf tot tien procent doordat ook de ademhalingsspieren niet langer werken.

Dood virus
Salk ging op basis van dat vermoeden experimenteren. Hij doodde het poliovirus, maar zorgde ervoor dat het intact genoeg bleef om een reactie van het immuunsysteem op te roepen. Vervolgens werd het vaccin getest met behulp van apen. Die tests verliepen goed en er volgden experimenten met kinderen die reeds polio hadden. Daarna was het de beurt aan mensen zonder polio. Salk vaccineerde zichzelf, zijn laboratoriummedewerkers, hun vrouwen en kinderen. Alle proefpersonen ontwikkelden antistoffen en een negatieve reactie op het vaccin bleef uit. In 1954 kon het vaccin nationaal getest worden. Eén miljoen kinderen tussen de zes en negen jaar oud namen aan het experiment deel: de helft kreeg het vaccin, de andere helft een placebo. Een jaar later konden de resultaten bekend worden gemaakt: het vaccin was veilig en werkte.

Succes
In de twee jaar voordat het vaccin op grote schaal beschikbaar werd, waren er in de VS alleen al gemiddeld 45.000 mensen met polio besmet. In 1962 was dat aantal gedaald naar 910. Salk werd als een held onthaald. Niet in de laatste plaats omdat hij geen patent aanvroeg op het vaccin, maar erop stond dat het voor zoveel mogelijk mensen beschikbaar was.

De vreugde en dankbaarheid is groot als het vaccin van Salk blijkt te werken.  Afbeeldingen: via Wikimedia Commons.

De vreugde en dankbaarheid is groot als het vaccin van Salk blijkt te werken. Afbeeldingen: via Wikimedia Commons.

Nederland
Het vaccin van Salk wordt wereldwijd nog steeds gebruikt. Ook in Nederland krijgen kinderen het toegediend en wel tijdens het DKTP-vaccin: een vaccin tegen difterie, kinkhoest, tetanus en polio. Kinderen krijgen dit vaccin meerdere malen toegediend. Voor het laatst op negenjarige leeftijd. Na die laatste injectie zijn ze zeker vijftien jaar tegen de ziekte beschermd.

Vandaag de dag komt polio nog steeds voor, maar wel op veel kleinere schaal dan een halve eeuw geleden. Dat is mede te danken aan het werk van Salk. Ook de Wereldgezondheidsorganisatie die zich in 1988 in samenwerking met overheden wereldwijd voornam polio uit te bannen, heeft daar een flink steentje aan bijgedragen. Waren er in 1988 wereldwijd nog zo’n 350.000 gevallen van polio bekend: in 2013 werden er ‘slechts’ 416 gemeld. Anno 2014 zijn er slechts drie landen waar de ziekte nog endemisch is: Afghanistan, Nigeria en Pakistan. In 1988 waren dat nog 125 landen.