Dus haal ‘m met een glimlach!

Wetenschappers van de universiteit van Nottingham verzamelden 138 ouderen die recht hadden op een griepprik. In de zes weken voordat de mensen hun griepprik haalden, gingen de onderzoekers na hoe het gesteld was met het humeur, de lichaamsbeweging, het dieet en slaapgedrag van de proefpersonen. Nadat de proefpersonen hun griepprik hadden gehaald, keken de onderzoekers hoe effectief deze was, door te meten hoeveel griep-antilichamen er vier en zestien weken na de vaccinatie in het bloed zaten.

Associatie
De onderzoekers gingen na of de bestudeerde factoren – dieet, lichaamsbeweging, humeur – van invloed waren op de effectiviteit van de griepprik. Alleen het humeur dat mensen in de zes weken voorafgaand aan de griepprik hadden, bleek geassocieerd te kunnen worden met meer antilichamen na de prik. En wanneer onderzoekers alleen keken naar het dieet, de lichaamsbeweging en het humeur op de dag van de griepprik, bleek het humeur een nog groter effect te hebben op de effectiviteit van de prik: het humeur lijkt verantwoordelijk te zijn voor 8 tot 14 procent van de variatie in effectiviteit van de griepprik die er weken nadat de griepprik was toegediend tussen mensen was.

Stress en dieet
“Vaccinaties zijn een ongelofelijk effectieve manier om de kans dat je een infectieziekte oploopt, te verkleinen,” vertelt onderzoeker Kavita Vedhara. “Maar hun achilleshiel is dat de mate waarin ze beschermen tegen een ziekte afhankelijk is van hoe goed het immuunsysteem van een individu werkt. Dus mensen met minder effectieve immuunsystemen – zoals ouderen – kunnen ondervinden dat vaccins voor hen niet zo goed werken als onder jongeren. We weten al jaren dat een aantal psychologische factoren en gedragingen – zoals stress, fysieke activiteit en dieet – beïnvloedt hoe goed het immuunsysteem werkt en van deze factoren is aangetoond dat ze beïnvloeden hoe goed vaccins beschermen tegen ziekten.”

En nu lijkt dus ook het humeur van invloed te zijn op de effectiviteit van een vaccin. Maar vervolgonderzoek is hard nodig, zo benadrukken de onderzoekers. En om te onderzoeken hoe robuust de associatie tussen humeur en effectiviteit van de griepprik is, pleiten de onderzoekers voor een iets andere opzet van dat vervolgonderzoek. Tijdens hun studie bestudeerden ze namelijk de effectiviteit van een griepprik die – en dat is best bijzonder – identiek was aan de griepprik van het jaar ervoor. Het betekende dat de proefpersonen voordat ze de griepprik ontvingen al vrij veel antilichamen in hun lijf hadden voor twee van de drie virussen die in het vaccin zaten. Het was dan ook onwaarschijnlijk dat de hoeveelheid antilichamen voor deze twee virussen na de griepprik sterk zou toenemen. En daarmee was het ook onwaarschijnlijk dat het effect van eventuele psychologische factoren of gedragingen op de effectiviteit van het vaccin goed uit de verf zouden komen. Daarom richtten de onderzoekers zich op de virusstam waarvoor proefpersonen voorafgaand aan de griepprik de minste antilichamen tegen hadden. Het is niet ongebruikelijk dat onderzoekers zich tijdens dit soort studies op één virusstam richten, maar om het effect van een goed humeur op een vaccin te bevestigen, zou het wenselijk zijn als vervolgonderzoek werkt met een vaccin waarin meer nieuwe virusstammen zitten.