Wie wat bewaart die heeft wat. De vrouwelijke groefkopadder slaat sperma soms vijf jaar op alvorens het te gebruiken.

De onderzoekers bestudeerden een vrouwelijke diamantratelslang (een groefkopadder). Het dier werd gevangen toen het nog niet volwassen was en groeide op in gevangenschap. De slang kwam niet in contact met mannetjes. Maar vijf jaar nadat ze gevangen was, zette ze toch gezonde jongen op de wereld. Hoe kon dat? De onderzoekers bestudeerden de genen van het vrouwtje en haar jongen. Ze ontdekten dat de jongen ook de genen van een mannetje bij zich droegen. Blijkbaar had de jonge slang nog voordat deze seksueel volwassen was, gepaard en het sperma bewaard voor de dag waarop ze wel volwassen genoeg was om jongen op de wereld te zetten.

Nuttig
De wetenschappers denken dat wel te kunnen verklaren. Soms doen gelegenheden om te paren zich maar zelden voor. En dan kan het handig zijn om alle kansen aan te grijpen en het sperma te bewaren tot het ook echt nuttig kan zijn.

Leren

We kunnen ook nog veel van de slangen leren, zo stellen de onderzoekers. De dieren slaan sperma vijf jaar op en gebruiken het daarna zonder problemen. Mogelijk kunnen we van hen leren hoe we sperma beter op kunnen slaan.

Maagdelijke voortplanting
Maar de onderzoekers ontdekten nog meer. Bepaalde groefkopadders bleken zelfs helemaal geen mannetje nodig te hebben. Zij deden aan maagdelijke voortplanting. De onderzoekers bestudeerden een moccasinslang (ook een groefkopadder). Het vrouwelijke dier had de afgelopen vijf jaar slechts één keer contact gehad met een mannetje. Dit mannetje was van een andere soort en het is uitgesloten dat deze twee soorten paren. Toch kwamen in 2009 vier jonge slangen ter wereld. De onderzoekers bestudeerden de slangen en konden geen genen van de vader vinden, alleen maar genetisch materiaal van de moeder. Het bewijs dat sprake is van een maagdelijke voortplanting. Ook dit is weer nuttig, zo stellen de onderzoekers. Er gaan geen eitjes verloren doordat een vrouwtje geen mannetje kan vinden.

Volgens de onderzoekers bewijst hun studie dat slangen heel vindingrijk zijn wanneer dat nodig is. Ook blijken ze meer trucjes achter de hand te hebben om hun genen voort te zetten dan gedacht. De dieren laten niets aan het toeval over en kunnen indien nodig het heft in eigen handen nemen. Goed nieuws in een tijd waarin de slang het moeilijk heeft doordat zijn leefgebied steeds kleiner wordt.