spin

Evolutiebiologen zijn nog steeds sceptisch over het al dan niet voorkomen van groepsselectie. Maar daar komt wellicht verandering in: experimenteel onderzoek toont nu mogelijk groepsselectie aan onder sociale spinnen.

Op 1 juli 1858 werden tijdens een samenkomst van de Linnean Society in Londen twee wetenschappelijke papers gecombineerd in een presentatie, getiteld On the tendency of Species to form Varieties; and on the Perpetuation of Varieties and Species by Natural Selection. De auteurs van de twee papers luisterden naar de namen Charles Darwin en Alfred Russel Wallace. Het is de eerste vermelding van natuurlijke selectie. Een jaar later, in 1859, publiceerde Darwin On the Origin of Species en introduceerde zo het concept bij het brede publiek. Meer dan 150 jaar later wordt er nog steeds onderzoek gedaan naar de werking van natuurlijke selectie. En één van de grote vragen is op welk niveau natuurlijke selectie inwerkt: het gen, het individu of de groep?

Groepselectie
Vero Copner Wynne-Edwards deed beroep op groepsselectie om specifieke aanpassingen en gedragingen te verklaren. Bij sommige vogelsoorten helpen jonge individuen met het grootbrengen van de volgende generatie in plaats van zelf voort te planten. Dit coöperatief broedgedrag kon volgens Wynne-Edwards verklaard worden door middel van groepsselectie. De jonge individuen offeren hun eigen potentieel tot voortplanting op ten voordele van de groep. Maar in 1966 weerlegde George C. Williams het idee van groepselectie in zijn boek Adaptation and Natural Selection. Hij argumenteerde dat de meeste aanpassingen verklaard kunnen worden vanuit het oogpunt van het gen. Dit idee werd later gepopulariseerd door Richard Dawkins (zie The Selfish Gene). Sindsdien heeft het concept van groepsselectie een negatieve bijklank. Vele evolutiebiologen fronsen nog steeds de wenkbrauwen wanneer groepsselectie wordt aangewend om een bepaald kenmerk of gedrag te verklaren.

Spinnen
Maar Jonathan Pruitt (University of Pittsburgh) en Charles Goodnight (University of Vermont) komen nu met een studie die mogelijk groepsselectie in het wild aantoont. Zij vergeleken het succes van kolonies van de sociale spin Anelosimus studiosus. Deze spinnen vertonen twee ‘persoonlijkheden’, een rustig en een agressief type. De verhouding tussen deze persoonlijkheden in een kolonie bepaalt het succes van de groep. In een ingenieus experiment werden artificiële kolonies samengesteld en geïntroduceerd in diverse omgevingen. Vervolgens volgden de onderzoekers het succes van de kolonies over twee generaties. Het bleek dat hoe meer een artificiële kolonie leek op een natuurlijke kolonie uit een bepaald gebied, hoe succesvoller deze kolonie was.

Men observeerde ook dat in bepaalde groepen de persoonlijkheidsverhouding van de artificiële kolonies over de tijd verschoof naar de natuurlijke situatie. De groepen pasten zich dus aan aan de lokale omstandigheden. Deze aanpassing was weliswaar afhankelijk van de herkomst van de groepsleden. Kolonies die bestonden uit lokale spinnen benaderden steeds de natuurlijke situatie, terwijl kolonies met uitheemse individuen een persoonlijkheidsverhouding vertoonden die sterk leek op die in hun gebied van herkomst. Een mooi voorbeeld van lokale adaptatie. Waarom sommige verhoudingen van persoonlijkheden het beter doen in bepaalde omgevingen dan andere is nog niet duidelijk. Desalniettemin is dit misschien het eerste experimentele bewijs voor groepsselectie in het wild. Spannend spinnenonderzoek dus.

Jente Ottenburghs (1988) heeft sinds zijn Master Evolutie en Gedragsbiologie aan de Universiteit van Antwerpen een brede interesse voor evolutionaire biologie. Sinds mei 2012 werkt hij als PhD-student bij de Resource Ecology Group aan de Universiteit van Wageningen. Meer informatie over zijn onderzoek vindt u hier. En neem ook eens een kijkje op zijn blog waarop – hoe kan het ook anders – de evolutie eveneens centraal staat.