BIOLOGIE  Een dier met grote hersenen is niet altijd slimmer dan een dier met kleine hersenen. Wetenschappers zijn erachter gekomen dat grote dieren grotere hersenen nodig hebben om de forse spieren te bewegen, en daardoor meer zenuwen hebben. Qua complexiteit maakt een groter brein weinig uit.

“In grotere hersenen vonden we niet altijd meer complexiteit, alleen maar een eindeloze herhaling van dezelfde neurale netwerken. Hierdoor kan een dier misschien meer geluiden of beelden onthouden, maar voor de mate van intelligentie maakt het weinig uit”, vertelt Lars Chittka van de universiteit van Londen. “Om het in computertermen te zeggen: grotere hersenen zijn in veel gevallen grotere harde schijven, maar zijn niet per definitie betere processoren.”

Even ter vergelijking: een walvissenbrein weegt negen kilo; het brein van een mens 2,75 tot 3,2 kilo. In een walvissenbrein zitten 200 miljard zenuwcellen, in de hersenen van een mens 85 miljard. Het brein van een honingbij weegt slechts één milligram en bevat minder dan een miljoen zenuwcellen.

Ondanks de kleine hersenen kan een honingbij tellen en verschillende objecten categoriseren, zoals honden en mensen. Daarnaast snapt een bij het verschil tussen ‘gelijk’ en ‘verschillend’. Dieren met grotere hersenen dan een bij hebben geavanceerdere hersenfuncties, maar zijn niet intelligenter. Zo worden de grotere hersenen o.a. gebruikt om de zintuigen te besturen, zoals zien en horen.

Modellen tonen aan dat een paar honderd zenuwcellen genoeg zijn voor een dier om te tellen. Slechts een paar duizend zijn genoeg om bewustzijn te genereren.