hond-blaffen

Wanneer iemand “hond” zegt, dan roepen je hersenen sneller een beeld op van een viervoeter dan na het horen van geblaf. Dit is vreemd, want woorden zijn abstracter dan geluid. Hoe komt dit?

Neurowetenschapper Bastien Boutonnet van de Universiteit Leiden en Gary Lupyan van de universiteit van Wisconsin hebben een experiment opgezet, waarin deelnemers luisterden naar tien woorden (bijv. kikker, pistool of haan) of naar het bijbehorende geluid (bijv. kwaak, pang of kukelekuu). Eén seconde later kregen de proefpersonen een plaatje of foto te zien. Door een druk op de ja- of de nee-knop gaven de proefpersonen aan of het plaatje overeenstemde met het woord of het geluid, of niet. Aan de hand van een EEG maten de onderzoekers de reactiesnelheid in de hersenen.

Snel, sneller, snelst
Ons brein kan afbeeldingen zelfs wanneer onze ogen maar dertien milliseconden de tijd hebben om ze te bekijken, in hun geheel verwerken.

Opvallend is dat proefpersonen er langer over deden om te reageren op een geluid dan op een gesproken woord. “Het woord hond is talig en wordt verwerkt in het ‘hogere’ deel van de hersenen”, zegt Boutonnet. “Een geluid van een blaffende hond is echter veel specifieker en wordt in het ‘lagere’ deel verwerkt. Het hogere deel van de hersenen verwerkt abstracte informatie zoals taal, het lagere deel meer concrete informatie zoals die door onze sensoren, zoals de ogen en de oren, wordt opgepikt.” Hoe komt het dat in dit geval een woord sneller wordt verwerkt, terwijl dit ‘hoger’ verwerkt wordt?

Het heeft te maken met het feit dat ‘hond’ één categorie is, terwijl blaffen kan duiden op een chihuahua, keeshond of herdershond. Blaffen verwijst dus nooit naar de hele categorie van honden. “Dit is voor de snelheid van de werking van de hersenen niet optimaal,” vervolgt Boutonnet. “Een verwijzing naar een categorie verwerkt het brein sneller dan een verwijzing naar een meer specifiek dier of object; dit laatste vergt meer verwerkingstijd. Less is more.”

Het brein probeert – op basis van wat het al kent – te voorspellen wat de sensoren aan informatie binnenkrijgen. Boutonnet: “Je ziet, hoort of voelt iets, er gaat een signaal naar de hersenen en die reageren vervolgens. Dat is het bottom up -proces. Ons onderzoek bevestigt dat het brein ook anders werkt.”