Dankzij nieuw onderzoek van de Univsiteit van Amsterdam kan met hersenonderzoek worden aangetoond of een persoon vooral werkt op de automatische piloot, of juist snel kan inspelen op nieuwe situaties. Dat kan dwangpatiënten en drugsverslaafden later helpen.

De onderzoekers kijken naar patronen in bepaalde delen van de hersenen. Met MRI-scans wordt gekeken welk deel daarvan vooral wordt geactiveerd bij bepaalde automatische of juist nieuwe handelingen. Die ‘automatische piloot’ kan heel handig zijn, bijvoorbeeld in het verkeer, maar het kan ook verkeerd gaan. Stelt u zich maar eens voor dat u zonder nadenken uw dagelijkse route rijdt en niet eens doorheeft dat uw voorganger in de remmen gaat. Bij sommige mensen is die automatische piloot een stuk sterker aanwezig dan bij anderen.

Computerspel
Voor het onderzoek, dat werd uitgevoerd door onderzoekers van de Universiteit van Amsterdam, speelden 23 proefpersonen een computerspelletje. Daarbij moesten zij bij bepaalde afbeeldingen op een knop klikken om bij een bepaald fruitplaatje te komen. Aan die fruitplaatjes zat een geldbedrag verbonden, zodat de proefpersonen zo hoog mogelijk wilden scoren. Na een tijdje veranderden de onderzoekers het plan. Vanaf dat moment werden de fruitplaatjes juist strafpunten, en moest er juist geld voor ingeleverd worden. Toch bleek dat veel proefpersonen nog steeds op de fruitplaatjes bleven klikken.

Wist u dat…

… onze hersenen helemaal niet van werken op de automatische piloot houden?

Verbindingen
Tijdens MRI-scans werd gekeken naar welke verbindingen in de hersenen het meest werden geactiveerd. Als de proefpersonen de handeling automatisch door bleven voeren, ook al kregen ze dan een straf, bleek de verbinding tussen de zogenoemde premotor cortex en de posterieure putamen het sterkst. Wanneer de proefpersonen juist makkelijk op de nieuwe situatie konden overschakelen, bleek juist de verbinding tussen de prefrontale cortex en posterieure putamen het sterkst. Dit zijn gebieden waarvan de onderzoekers al langer wisten dat ze belangrijk zijn voor automatische handelingen.

Door te kijken naar welke verbinding bij u het sterkst naar boven komt, kunt u erachter komen of u uit macht der gewoonte iets doet, of dat u juist heel doelgericht handelt. “Denk bijvoorbeeld aan rokers,” vertelt Sanne De Wit, experimenteel psycholoog en betrokken bij dit onderzoek, aan Scientias.nl. “Zij hebben soms zin in een sigaret, maar roken vaak ook zonder er bij na te denken. Via speciale therapie kun je rokers er bewust van maken dat ze een sigaret opsteken.” Die therapie heet ‘mindfulness’, bewustwording. Wanneer een patiënt bewust is van zijn gedrag, kan worden begonnen aan zogeheten ‘responspreventie’, waarbij in stapjes het roken kan worden afgeleerd. Die therapieën bestaan al langer, maar met dit onderzoek wordt volgens De Wit het belang ervan nog eens onderstreept. “De balans tussen de hersenverbindingen is bij verslaafden en andere soorten patiënten ernstig verstoord. Dit onderzoek kan de belang van therapieën bij deze groepen ondersteunen.”