Het bovenste deel van de atmosfeer ruikt naar rottende eieren.

De afgelopen decennia is er behoorlijk intensief onderzoek gedaan naar de planeet Uranus. Er scheerde in de jaren tachtig zelfs een ruimtesonde langs: Voyager 2. En hoewel we zo stap voor stap meer over de planeet te weten kwamen, bleef één ding toch in nevelen gehuld: de samenstelling van Uranus’ atmosfeer. Natuurlijk werd er wel over gespeculeerd en meestal kwamen onderzoekers er dan op uit dat die atmosfeer linksom of rechtsom in ieder geval rijk was aan waterstofsulfide. Maar hard bewijs daarvoor ontbrak. Tot nu. Met behulp van de Gemini North-telescoop op Hawaii tonen onderzoekers aan dat de bovenste regionen van Uranus’ atmosfeer rijk zijn aan het goedje dat rotte eieren van hun kenmerkende geurtje voorziet: waterstofsulfide.

Stank
Het komt er kort gezegd op neer dat de geur van Uranus’ atmosfeer niet te harden is. Maar onderzoekers benadrukken dat dat waarschijnlijk niet je grootste zorg is, mocht je ooit in die atmosfeer terechtkomen. Voor je de geuren kunt waarnemen, ben je namelijk waarschijnlijk al dood doordat je bent gestikt in de atmosfeer die voornamelijk uit waterstof, helium en methaan bestaat. En als je niet stikt, dan bevries je wel, doordat de atmosfeer van Uranus een temperatuur heeft die rond de -200 graden Celsius ligt.

Oorsprong
Het onderzoek leidt ons naar een heldere conclusie: op Uranus moet je niet zijn. Tegelijkertijd is de planeet door deze nieuwe onderzoeksresultaten een stuk aantrekkelijker geworden voor onderzoekers. Ze denken namelijk dat Uranus meer inzicht kan geven in de vroege geschiedenis van ons zonnestelsel en het ontstaan van de planeten.

Neptunus. Afbeelding: NASA.

Het feit dat Uranus (en waarschijnlijk ook Neptunus) waterstofsulfide in hun atmosfeer hebben zetten, zorgt ervoor dat deze planeet (of planeten) in schril contrast staat met de gasreuzen die veel dichter bij de zon staan: Jupiter en Saturnus. Boven het wolkendek van Jupiter en Saturnus is namelijk geen waterstofsulfide, maar ammoniak te vinden. En het bovenste deel van hun wolkendek is grotendeels opgebouwd uit ammoniakijs, iets wat we bij Uranus niet zien. De verschillen die er tussen de atmosferen zijn, zijn waarschijnlijk ontstaan toen de planeten het levenslicht zagen, zo legt onderzoeker Leigh Fletcher uit. “Tijdens het ontstaan van het zonnestelsel werd de balans tussen stikstof en zwavel (en dus ammoniak en Uranus’ zojuist ontdekte waterstofsulfide) bepaald door de temperatuur en locatie waarop deze planeten ontstonden.” Aangenomen wordt dat de grote planeten in ons zonnestelsel – Uranus, Neptunus, Saturnus en Jupiter – niet op hun huidige locatie zijn ontstaan. En hun atmosferen kunnen wellicht verraden waar zij dan wél het levenslicht zagen. Zo kunnen we niet alleen meer inzicht krijgen in de evolutie van ons eigen zonnestelsel, maar mogelijk ook meer te weten komen over grote exoplaneten die rond andere sterren cirkelen.