We doen het allemaal, maar waarom eigenlijk? De doodgewone geeuw is voor wetenschappers nog altijd een mysterie.

Na een lange dag of een te korte nacht kunnen we er eigenlijk niet aan ontkomen: geeuwen. Maar ook op momenten dat we ons vervelen – tijdens een saaie vergadering bijvoorbeeld – kan de geeuw de kop opsteken. En dat begint al vroeg: uit onderzoek is gebleken dat mensen al in de baarmoeder geeuwen (zie ook de afbeeldingen hieronder). Overigens zijn wij mensen heus niet de enigen die eigenlijk een leven lang gapen. Ook honden en katten geeuwen regelmatig. Net als chimpansees en grasparkieten.

Een geeuwende foetus. Foto's: Fetal yawning assessed by 3D and 4D sonography / O. Walusinski et al.

Hoofd koel houden
Maar waarom geeuwen wij – en al die dieren met ons – nu precies? Dat is nog altijd een raadsel. Wetenschappers hebben er stuk voor stuk verschillende ideeën over. Zo is uit recentelijk onderzoek gebleken dat gapen iets te maken heeft met de temperatuur van het brein. Door te geeuwen zouden we ons hoofd (letterlijk!) koel houden. De onderzoekers baseerden die conclusie op het feit dat mensen ’s winters vaker geeuwden. In de zomer is de temperatuur van de lucht hoog en heeft geeuwen weinig zin: warme lucht koelt het brein immers niet, zo stelden de onderzoekers.

Een zelfportret van Joseph Ducreux (via Wikimedia Commons).

Zuurstoftekort?
Een andere heel populaire theorie is dat geeuwen het resultaat is van een zuurstoftekort. Maar lang niet alle wetenschappers zijn ervan overtuigd dat die theorie wel klopt.

Besmettelijk
Recent onderzoek gooit het over een heel andere boeg en zoekt de verklaring voor geeuwen niet in de fysieke, maar in de sociale hoek. Misschien is het u al wel opgevallen tijdens het lezen van dit artikel: u moet ervan geeuwen. Dat is heel normaal: wanneer we anderen zien gapen (of plaatjes zien van geeuwende mensen) moeten we ook gapen. Geeuwen is namelijk besmettelijk. En dat zette onderzoekers aan het denken. Want hoe kan geeuwen nu besmettelijk zijn? Een aantal interessante experimenten volgde. Bijvoorbeeld dat van onderzoeker Molly Helt. Het viel haar op dat haar autistische zoontje nooit meegaapte wanneer zij moest geeuwen. Toeval of niet? Ze verzamelde 120 kinderen en las ze voor uit een boek. Tijdens het voorlezen gaapte Helt regelmatig. Met behulp van camera’s werd gekeken hoe de kinderen daarop reageerden. De resultaten zijn opvallend. De éénjarigen geeuwden niet mee. Van de tweejarigen geeuwde er slechts één mee. Onder de driejarigen ging het om twee kinderen. Van alle vierjarigen geeuwde bijna de helft mee. En zo ging dat verder: hoe ouder de kinderen waren, hoe meer er ook geeuwden. Helt herhaalde het experiment daarop met 28 autistische kinderen die tussen de zes en vijftien jaar oud waren. De kinderen geeuwden ongeveer de helft minder vaak dan gezonde kinderen van dezelfde leeftijd. Kinderen met een zware vorm van autisme geeuwden zelfs nooit mee. Helt concludeert dan ook dat geeuwen een andere belangrijke functie heeft: binding krijgen met anderen. Samen geeuwen, schept een band. Dat autistische kinderen minder snel meegeeuwen zou komen doordat zij lang niet alle sociale signalen opvangen en kunnen verwerken.

Geeuwende chimpansee
Het onderzoek van Helt staat niet op zichzelf. De laatste jaren stapelt het bewijs dat geeuwen ook een sociale functie heeft zich op. Op die stapel vinden we ook het werk van Matthew Campbell. Hij experimenteerde met chimpansees. Ook onder deze soort is geeuwen besmettelijk. Maar de chimpansees bleken opvallend vaker met soortgenoten mee te gapen wanneer ze deze kenden. Eind 2011 bleek uit een onderzoek van de universiteit van Pisa dat ook mensen enigszins selectief zijn wanneer ze meegeeuwen. Zo geeuwen mensen sneller mee als de gaper een familielid is.

Geeuwende kat. Foto: Daniel Acuña (cc via Flickr.com).

Vast actiepatroon
Dat geeuwen besmettelijk is, lijkt vast te staan. Maar wat maakt geeuwen nu zo besmettelijk? Is het echt empathie? Of eerder een onbewuste imitatie? Of is het een vast actiepatroon: automatisch gedrag dat volgt op een bepaalde prikkel (in dit geval: een ander zien gapen)? Een team bestaande uit onder andere Nederlandse onderzoekers beet zich in dat vraagstuk vast. Voor hun studie maakten ze gebruik van de kolenbranderschildpad. Dit dier imiteert soortgenoten (voor zover wij weten) niet en kent ook geen empathie. Wanneer schildpadden elkaar dus aan het geeuwen zouden krijgen dan moest dat wel het resultaat zijn van een vast actiepatroon. Maar de experimenten zijn overduidelijk: onder deze schildpadden is geeuwen niet besmettelijk. De onderzoekers concluderen dan ook dat het geen vast actiepatroon is dat leidt tot meegapen. Het lijkt er inderdaad op dat complexere sociale processen tot meegeeuwen leiden.

Ondanks het feit dat er ongelofelijk veel onderzoek naar is gedaan blijft de geeuw toch nog een mysterie. Want vindt de geeuw nu zijn oorsprong in de fysieke of toch in de sociale wereld? Of misschien wel in allebei? En wanneer is de geeuw dan ontstaan? En welk doel dient de geeuw nu exact? Het lijkt erop dat de wetenschap de handen nog wel even vol heeft aan dit alledaagse verschijnsel.