Het zat mogelijk ingekapseld in gruis waaruit uiteindelijk de aarde voortkwam.

Dat stelt een internationaal team van onderzoekers – waaronder ook Nederlandse wetenschappers – in het blad Astronomy & Astrophysics.

Twee theorieën
De aarde herbergt behoorlijk wat water. En onderzoekers vragen zich al heel lang af hoe al dat water hier beland is. Het resulteert in twee theorieën. De eerste stelt dat het water door inslaande kometen en planetoïden op aarde is afgeleverd. Een tweede theorie gooit het over een andere boeg en stelt dat het water aanwezig was in tien kilometer grote rotsblokken waaruit de aarde is opgebouwd.

Eén probleem
Er is echter een klein probleempje met die tweede theorie; het lijkt erop dat de hoeveelheid water die deze grote rotsblokken kunnen bevatten, beperkt is. Te beperkt. Vandaar dat er vaak op de eerste theorie wordt teruggegrepen.

Aanpassing
Een nieuw onderzoek lijkt de tweede theorie echter enigszins in ere te herstellen. En wel door deze iets aan te passen. Berekeningen wijzen uit dat op de plek waar de aarde ooit ontstond, gruis van een millimeter groot wel genoeg water kan vasthouden. Dat gruis kan vervolgens zijn samengeklonterd en kiezels hebben gevormd die weer samenklonterden tot grote rotsen die weer grotere hoeveelheden water herbergden. En uit die rotsen zou de aarde zijn gevormd.

Het scenario – dat dus eigenlijk iets eerder begint dan het oudere rots-met-waterscenario – is veelbelovend. Zo wijzen berekeningen uit dat de gruisdeeltjes slechts een miljoen jaar nodig hadden om een hoeveelheid water te verzamelen die de huidige hoeveelheid water op aarde kan verklaren. En een periode van 1 miljoen jaar past ook makkelijk in het tijdvak dat nodig is om grotere rotsen te vormen.