rsz_dolfijn

Geloof het of niet, maar dolfijnen en walvissen hebben heupen. Een overbodige luxe, zo dachten onderzoekers lang. Maar nu blijken die overbodige botjes opeens heel hard nodig te zijn: ze spelen een cruciale rol tijdens de voortplanting.

Dat dolfijnen en walvissen heupen hebben, lijkt misschien wat vreemd. Maar dat is het niet, wanneer je bedenkt dat de voorouders van deze dieren meer dan veertig miljoen jaar geleden over het land liepen. Hun heupen zijn dus de restanten van een heel ander leven. En zo zagen onderzoekers ze ook: als resten van vroeger, niet meer en niet minder. “Iedereen nam altijd aan dat dolfijnen en walvissen wanneer je ze nog een paar miljoen jaar de tijd gaf om te evolueren hun bekkens zouden kwijtraken,” vertelt onderzoeker Matthew Dean.

Doel
Maar iedereen zat ernaast. De botten zijn niet slechts een restant van een leven op het land. Ze blijken nog steeds een doel te dienen, zo ontdekte Dean.

Het onderzoek
De spier die de penis van een walvisachtige controleert, zit vast aan het bekken. Dus, zo redeneerde Dean, het is best mogelijk dat het bekken invloed uitoefent op de penis van een walvisachtige en dus een evolutionair voordeel kan bieden. Om die hypothese te toetsen spoorde hij honderden bekkens van walvisachtigen op en bestudeerde ze. Met behulp van een 3D-laserscanner maakte hij bovendien digitale modellen van de botten om hun vorm en grootte exact te kunnen vaststellen en met de vorm en grootte van bekkens van andere walvisachtigen te kunnen vergelijken. Vervolgens verzamelde hij ook informatie over de relatieve grootte van de zaadballen van walvisachtigen (dat wil zeggen: de grootte van de zaadballen ten opzichte van de rest van hun lijf). Het is doorgaans zo dat promiscue diersoorten – diersoorten waarbij vrouwtjes met meerdere mannetjes paren – grotere zaadballen hebben. Dat is het resultaat van de competitieve leefomgeving waarin zij vertoeven. Gewapend met al die informatie vergeleken Dean en zijn collega’s uiteindelijk de grootte van het bekken (ten opzichte van de rest van het lichaam) met de grootte van de zaadballen van walvisachtigen (wederom ten opzichte van de rest van het lichaam).

Grotere penis, groter bekken
De resultaten waren duidelijk: hoe groter de zaadballen relatief gezien waren, hoe groter ook het bekken relatief gezien was. Het betekent dat leefomgevingen waarin de competitie groter is, walvisachtigen aanmoedigen om te evolueren tot walvisachtigen met grotere bekkens. Mannetjes die deel uitmaken van promiscue soorten evolueren vaak grotere penissen, dus een groter bekken lijkt dan nodig te zijn om de grotere spieren die de grotere penis moeten controleren aan te kunnen hechten.

Groter skelet
Om er zeker van te zijn dat de grootte en vorm van het bekken beïnvloed worden door seksuele selectie, gingen de onderzoekers nog een stap verder. Ze vergeleken de grootte van de zaadballen met de grootte van één van de ribben van diezelfde walvisachtigen. Zo wilden ze uitsluiten dat de grotere bekkens simpelweg het resultaat waren van een algeheel groter skelet. En dat lukte. Het versterkt hun conclusie dat de bekkens van walvisachtigen een speelbal zijn van de seksuele selectie.

Het is niet voor het eerst dat een deel van het lichaam ten onrechte wordt gezien als een overbodig overblijfsel uit de evolutionaire geschiedenis van een soort. Zo werd bijvoorbeeld onze eigen blindedarm lang als overbodig bestempeld. Maar steeds meer onderzoeken tonen aan dat deze eigenlijk heel belangrijk is voor diverse immuunprocessen.