Zijn brede bijholtes maakten het onmogelijk om zich aan te passen aan een nieuw dieet.

De holenbeer was een grote berensoort die tijdens het Pleistoceen door Europa en Azië zwierf. Vijftigduizend jaar geleden begon het aantal holenberen echter rap terug te lopen en 24.000 jaar geleden stierf de soort uit. Verschillende studies hebben al gepoogd om hiervoor een sluitende verklaring te geven. Want waarom verdween de holenbeer van de aardbol terwijl zijn neef, de bruine beer, wel wist te overleven? Onderzoekers denken het mysterie nu ontrafeld te hebben.

Over de holenbeer
De holenbeer kwam duizenden jaren geleden in een groot deel van Azië en Europa voor (ook in Nederland zijn resten van de beer teruggevonden). Mannetjes konden tot wel 3,5 meter lang zijn wanneer ze op hun achterpoten gingen staan en waren met een gewicht van 450 kilo tot wel drie keer zwaarder dan de gemiddelde Europese bruine beer.

Ondertussen hebben al meerdere redenen voor het uitsterven de holenbeer de revue gepasseerd. Vaak wordt de mens als boosdoener aangewezen. De prehistorische mens joeg mogelijk op het dier en concurreerde om dezelfde verblijfplaatsen zoals grotten. Daarnaast wordt ook de afname van vegetatie als schuldige aangewezen. Doordat de temperaturen steeds verder onder het vriespunt daalden, verdween langzamerhand ook het voedsel voor het dier. De vraag is alleen waarom de nauw verwante bruine beer wel met deze barre omstandigheden wist om te gaan.


Kauwstijlen
In de studie, gepubliceerd in het vakblad Science Advances, verzamelden de onderzoekers de schedels van vier uitgestorven holenberen en acht levende beren. Vervolgens gebruikten ze computersimulaties om de verschillende kauwstijlen van de beren aan een inspectie te onderwerpen. Hier rolde een interessante bevinding uit. Want het team ontdekte dat de holenberen over hele brede bijholtes beschikten.

Vergelijking tussen de schedel van een holenbeer (linksboven) met een honingbeer (rechtsboven) terwijl ze kauwen. Afbeelding: Alejandro Pérez-Ramos

Aan de ene kant waren deze brede bijholtes in het voordeel van de beer. Het evolutionaire foefje kwam namelijk goed van pas bij zijn winterslaap. “Dankzij de brede bijholten kon de beer voor lange tijd in winterslaap vertoeven met een zeer lage stofwisseling,” legt onderzoeker Alejandro Pérez-Ramos uit. En aangezien de winters tijdens de laatste ijstijd steeds lang duurden, kwam dit de beer natuurlijk goed van pas. Toch had dit ook een andere kant. Want mogelijk kostte dit slimme evolutionaire foefje de beer ook de kop.

Herbivoor
Eerder onderzoek heeft aangetoond dat holenberen 100.000 tot 20.000 jaar geleden voornamelijk herbivoor waren. Maar zelfs toen temperaturen kelderden en er steeds minder planten voorhanden waren, veranderde de beer zijn dieet niet. De vraag is natuurlijk waarom de beer bijvoorbeeld niet overstapte op vlees. De onderzoekers ontdekten dat de brede bijholtes van de holenbeer de schedel zo vormde, dat ze alleen met hun achterste tanden konden kauwen. En aangezien er voor vlees normaal gesproken scherpe voortanden nodig zijn, viel deze mogelijkheid voor de holenbeer weg. Het betekent dat de holenbeer fysiek niet in staat was om over te stappen op een nieuw dieet. Dit, in tegenstelling tot de bruine beer die over minder brede bijholten beschikt en een flexibelere schedel heeft.


De resultaten uit de studie wijzen op een vrij onfortuinlijke samenloop van omstandigheden. Want hoewel de brede neusholten de holenbeer juist hielp beter te gedijen tijdens de koude winters, blijkt dat dit eveneens zijn ondergang betekende. Daarnaast dreef de opkomst van de mens de holenbeer nog verder in het nauw. “In leven blijven tijdens de koudste periodes op aarde zou voor mens en beer even belangrijk zijn geweest,” zegt onderzoeker Jack Tseng. “Het succes of de ondergang van prehistorische megafauna – zoals holenberen – geven cruciale aanwijzingen over hoe mensen andere grote zoogdieren in een kritieke tijd hebben kunnen verslaan en hebben overleefd.”