Door toedoen van klimaatverandering zullen pinguïns meer op vogels gaan lijken en neemt de kans toe dat je ze op je pizza aan gaat treffen.

Dat schrijven onderzoekers in dit onlangs gepubliceerde artikel. Klinkt het een beetje vreemd? Dat kan kloppen. De auteurs Martin Stervander en Danny Haelewaters hebben het complete onderzoek – inclusief de aan de resultaten onderliggende statistische analyse – uit hun duim gezogen. En toch is het artikel gepubliceerd. Tot grote vreugde van Haelewaters, die zo aandacht wil vestigen op een serieus probleem in de wetenschap: rooftijdschriften. “Het draait allemaal om geld,” zo vertelt de mycoloog aan Scientias.nl.

Betalen voor publicatie
Wanneer wetenschappers een onderzoek hebben uitgevoerd, willen ze hun resultaten graag wereldkundig maken. De beste manier om dat te doen, is in een (gerenommeerd) vakblad. Wetenschappers dienen hun onderzoek in, de redactie van het vakblad leest het onderzoek en bepaalt vervolgens of het geschikt is voor publicatie in het betreffende vakblad. De redactie beslist
enkel over geschiktheid; eventuele acceptatie gebeurt pas na een zogenoemde peer review, waarbij onafhankelijke deskundigen de kwaliteit van het onderzoek vaststellen en zoeken naar fouten of onduidelijkheden in het artikel. Als het onderzoek en de resultaten na peer review nog overeind staan, kan het – vaak na nog enkele door de peer reviewers aangereikte revisies te hebben ondergaan – daadwerkelijk gepubliceerd worden. Daar zit soms een prijskaartje aan vast voor de wetenschappers. Vaak moeten zij namelijk betalen om hun werk in een vakblad te publiceren, bijvoorbeeld om open access, oftewel vrij toegankelijk voor lezers, te publiceren. Deze fees kunnen behoorlijk oplopen. Maar dan heb je
natuurlijk ook wat; een peer reviewed artikel dat in een officieel vakblad verschijnt en dat vakgenoten kunnen lezen en becommentariëren en waar toekomstig onderzoek ook weer op voort kan bouwen.


Dat onderzoekers om deze redenen bereid zijn om te betalen voor publicatie van hun werk heeft verschillende mensen echter geïnspireerd tot de oprichting van zogenoemde predatory journals, oftewel rooftijdschriften. Ze ogen met hun open access-beleid, waarbij onderzoeken vrij toegankelijk zijn en niet – zoals bij veel gerenommeerde vakbladen – schuilgaan achter betaalmuren, misschien heel sympathiek. Maar schijn bedriegt. De tijdschriften zijn namelijk niet uit op het breed verspreiden van kwalitatief onderzoek, maar hebben het louter voorzien op de portemonnee van onderzoekers. “Het gaat niet om de academische waarde van zo’n artikel,” stelt Haelewaters. “Dit soort tijdschriften verwacht gewoon dat je betaalt. Het is heel simpel: hoe meer content, hoe meer geld dat die tijdschriften eraan verdienen.”

Op de wenken bediend
En de rooftijdschriften wringen zich dan ook in allerlei bochten om zoveel mogelijk content te verzamelen. Zo zijn er maanden dat Haelewaters – net als veel van zijn collega’s – tientallen mailtjes van rooftijdschriften ontvangt, waarin ze vragen om content. En hoewel Haelewaters de mails meestal direct naar de prullenmand verbant, besloot hij het onlangs anders aan te pakken en één van de rooftijdschriften op de wenken te bedienen. Samen met dr. Martin Stervander, momenteel verbonden aan het Natural History Museum in Londen, diende hij een uitgebreid onderzoek in dat overduidelijk van A tot Z verzonnen is. De studie start met twee observaties. Eén: pinguïns lijken sterk op vissen en leven in gebieden waar weinig giftige paddenstoelen voorkomen. Twee: op pizza’s gaan champignons vaak vergezeld door vogels die wel op vogels lijken (zoals kippen) en vissen die op vissen lijken. Op basis van die observaties en een onmogelijke statistische analyse trekken de wetenschappers vervolgens twee conclusies. Eén: de afwezigheid van giftige paddenstoelen op de Zuidpool heeft geresulteerd in het visachtige uiterlijk van de pinguïn. Twee: door klimaatverandering zullen paddenstoelen terrein winnen op de Zuidpool, waardoor pinguïns vogelachtiger worden en de kans toeneemt dat je ze in de toekomst op pizza’s met champignons aan gaat treffen.

Brexit en blind darten
Je zou misschien denken dat de onderzoekers met deze boude conclusies te ver zijn gegaan. Maar zo zag de redactie van het rooftijdschrift dat niet. Het blad publiceerde het paper zonder op- of aanmerkingen. Volgens Haelewaters is het wel duidelijk dat niemand het paper echt heeft doorgenomen. Want behalve de wilde conclusies staan er nog wel meer gekke dingen in. Zo komt terloops de Brexit aan bod, wordt Donald Trump gequoot en schrijven de onderzoekers dat de vogels in hun studie geselecteerd zijn door geblinddoekt dartpijlen te werpen op een lijst met vogelsoorten. Ook bekennen Stervander en Haelewaters in het artikel ‘uit luiheid’ een fraai onderzoeksmodel onbenut te hebben gelaten en vertellen ze mentale support te hebben ontvangen van de ‘Society for Fishy Research Questions‘ (dat zoveel betekent als de ‘Vereniging voor Verdachte Onderzoeksvragen). “Je kan in rooftijdschriften absurditeiten publiceren, zonder enige vorm van peer review,” concludeert Haelewaters.


Afdingen
En dat was ook wat Haelewaters en Stervander met dit onderzoek wilden aantonen. Daar hing oorspronkelijk echter wel een flink prijskaartje aan; het rooftijdschrift in kwestie wilde voor de publicatie van het artikel 1898 dollar, oftewel 1577 euro hebben. “Maar uiteindelijk hebben we afgedongen tot 350 dollar,” vertelt Haelewaters. Het is nog steeds veel geld, maar de publicatie blijkt elke dollar waard te zijn; in de afgelopen weken heeft het artikel van Stervander en Haelewaters met name op sociale media veel aandacht gegenereerd. En daarmee staan rooftijdschriften ook weer volop in de spotlight. “Dat is natuurlijk waar het eigenlijk om gaat: de predator-industrie, het feit dat zulke papers gepubliceerd kunnen worden.”

Het gevaar
Dat daar zo af en toe – hetzij op ludieke wijze – aandacht voor wordt gevraagd, is overigens geen overbodige luxe. “Ik sta ervan versteld hoeveel onderzoekers in de val trappen van rooftijdschriften.” Deze onderzoekers betalen forse bedragen om hun onderzoeken gepubliceerd te krijgen, waarna het tijdschrift deze klakkeloos overneemt en zonder collegiale toetsing de wereld in slingert. En dat laatste is een probleem. Want zelfs in de beste studies kunnen fouten of onduidelijkheden sluipen die er normaliter tijdens een peer review-proces uit worden gevist. Zonder collegiale toetsing blijven ze staan en kunnen ze de wetenschap ondermijnen en de betrokken onderzoekers – die niet zelden worden wijsgemaakt dat er wel peer review heeft plaatsgevonden – in diskrediet brengen. “Het grootste gevaar is dat mensen die sowieso al kritisch staan tegenover wetenschappelijk onderzoek (dat vaak lang duurt en moeilijk en complex is) door dit soort praktijken zich nog meer van de waarheid gaan afkeren,” stelt Haelewaters.

‘Fishiness of Piscine Birds Linked to Absence of Poisonous Fungi but not Pizza’ zoals het artikel van Stervander en Haelewaters voluit getiteld is, is niet het eerste compleet verzonnen artikel dat rooftijdschriften publiceren. Zo verscheen in hetzelfde tijdschrift eerder al een artikel waarin de Canadese onderzoekers Axel Holmberg en Sorin Cosofret zonder blikken of blozen beweren 200 vissen te hebben geïnterviewd over hun seksleven. En Daniel Baldasarre publiceerde vorig jaar in het Scientific Journal of Research and Reviews het al even weinig wetenschappelijk klinkende paper ‘What’s the Deal With Birds‘.

Oplossingen
Haelewaters en Stervander werken naar aanleiding van hun avontuur momenteel aan een opiniestuk dat ze wél in een gerespecteerd tijdschrift hopen te publiceren en dat handelt over de wereld van predatortijdschriften. “We proberen hierin ook een aantal oplossingen aan te bieden, zoals het integraal publiceren van peer reviews bij gepubliceerde wetenschappelijke artikelen (…) en een autorisatiesysteem bij editorial assignments. Dit laatste is interessant. Elk manuscript dat wordt ingediend bij een tijdschrift, krijgt een ‘managing editor‘. Dat is de persoon die uitnodigingen verstuurt naar potentiële peer reviewers om het manuscript te beoordelen. Toen Martin (Stervander, red.) en ik ons artikel ook geaccepteerd zagen in een ander rooftijdschrift, was de editor die het artikel in handen had iemand die Martin kende. We hebben deze persoon gecontacteerd en toen bleek dat deze er helemaal niets van af wist. Dus dat tijdschrift blijkt namen van respectabele onderzoekers te gebruiken die er geen weet van hebben dat ze als editor (en misschien ook wel als reviewer) worden voorgesteld. Eén voorstel is om bijvoorbeeld via ORCID te werken. ORCID is een database voor onderzoekers. Elke onderzoeker heeft zijn of haar eigen, unieke nummer. Als ik een artikel indien via een website, wordt er vaak naar mijn ORCID gevraagd. Dat soort links bestaat dus al, maar we zouden die lijn kunnen doortrekken naar het niveau van editors.” Grote kans dat dan direct een groot deel van het editors-bestand van rooftijdschriften als sneeuw voor de zon verdwijnt. “Het vermoeden bestaat dat de managing editors met wie wij contact hebben gehad bij sommige van de rooftijdschriften misschien niet eens echte mensen zijn. Het zou goed kunnen gaan om automatische antwoorden die op basis van herkenningstechnologie antwoorden sturen; sommige emails waren nogal onhandig geformuleerd.”

Of de louter op geldbeluste tijdschriften echt op korte termijn het onderspit zullen delven, is twijfelachtig. Zolang er onderzoekers zijn die zich door de smeekbedes van rooftijdschriften laten verleiden en hun portemonnee opentrekken, hebben deze tijdschriften bestaansrecht. Maar zolang zullen er ongetwijfeld ook wetenschappers zijn die de rollen omdraaien en – na flink wat afdingen – de rooftijdschriften verleiden tot het publiceren van complete onzin. Het is duidelijk dat het laatste woord nog niet is gezegd over de rooftijdschriften.