Vandaag wordt in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht de eerste Nederlandse Physical Activity Report Card For Children & Youth uitgebracht. Dit ‘schoolrapport’ geeft de landelijke prestaties van het beweeg- en zitgedrag van de jeugd weer. Scientias.nl mocht het rapport alvast inkijken en sprak met de schrijver ervan, inspanningsfysioloog Tim Takken.

‘Nederlanders zitten veel, jongeren het meest’, ‘Nederlandse jongeren zijn kampioen zitten’, ‘Jongeren zitten te veel’. Dit zijn de eerste hits die je krijgt wanneer je op Google de zoekterm ‘zitten jeugd’ intikt. Afgaand op de media is de jeugd van tegenwoordig nog maar moeilijk in beweging te krijgen. Cijfers worden echter amper genoemd. Hoe staat het nu met de beweegarmoede onder de jongeren en hoe is dat in vergelijking met andere landen?

“Gek genoeg kon die vergelijking nooit gemaakt worden”, vertelt Takken. “Allerlei organisaties en instanties verzamelen in Nederland een brij aan gegevens maar het overzicht ontbreekt.” In het ziekenhuis heeft Takken regelmatig te maken met kinderen die niet meer aan sport doen. Takken: “Ik zie jongeren van 15 die geen enkele beweegervaring hebben. Ze doen voor het eerst een piepjestest op school en stoppen dan na een paar minuten omdat ze hun hart voelen bonzen en hun ademhaling versnellen. Ze denken dat hun hart het zal begeven en gaan hyperventileren. Ze zijn gewoon bang om te bewegen omdat ze er niet mee opgegroeid zijn.”

schermafbeelding-2016-09-19-om-07-24-12Toen twee jaar terug op een congres in Toronto het initiatief voor een internationaal beweegrapport werd gelanceerd, pakte Takken namens Nederland de handschoen op. Met een groep van zo’n twintig experts op het gebied van bewegen bij kinderen, kostte het iets meer dan een jaar om de wirwar van Nederlandse data te vertalen in één overzichtelijk rapport dat eenvoudig naast die van een ander land gelegd kan worden.

Mager zes minnetje
Het rapport geeft cijfers voor vijf ‘vakken’: algemene lichamelijke activiteit, georganiseerd sporten, actief spelen, actief transport en sedentair gedrag. De figuur laat de cijfers van het beweegrapport zien, de tabel geeft de belangrijkste resultaten. Naar internationaal gebruik lopen de cijfers van E (laagste) tot A (hoogste). Vooral voor algemene lichamelijke activiteit scoort de Nederlandse jeugd ondermaats, met een D tot gevolg. In de andere categorieën gaat het iets beter maar er is maar één vak waar de jongeren met vlag en wimpel slagen en dat is voor actief transport. Want jawel, Nederland is een fietsland en de meeste kinderen gaan op de fiets naar school.

Takken had wel in de gaten dat er beweegarmoede onder de jeugd was maar deze resultaten vielen hem toch tegen. Takken: “Vooral het lage cijfer voor algemene lichamelijke activiteit baart me zorgen. Meer dan de helft van de kinderen haalt de beweegnorm niet. Zonder de fiets zou de jeugd een dikke onvoldoende voor bewegen hebben gehaald. Nu haalt ze net een mager zes minnetje.”

Waarschijnlijk vallen een aantal resultaten nog positief uit omdat ze voortkomen uit vragenlijsten en peilingen die vaak sociaal wenselijk worden ingevuld. Terwijl fitnessfreaks en topsporters tot op de minuut bijhouden hoeveel ze sporten, zal een middelbare scholier hier een stuk minder nauwkeurig van op de hoogte zijn. Takken beaamt deze tekortkoming maar hij moet het er mee doen. “In Canada zijn onderzoeken gaande waarbij kinderen een versnellingsmetertje, die hun activiteiten en bewegingen registreert, om hebben. Dan krijg je als onderzoeker écht een goed beeld. Dit soort onderzoeken doen we helaas niet in Nederland.”

Een totaal van veertig landen zal de komende tijd hun beweegrapport bekend maken. Takken heeft nu alleen nog de cijfers van Australië vluchtig gezien. Onze jongste jeugd lijkt het af te leggen tegen de jonge Aussies. “Meer kinderen daar zitten op de sportclub”, is Takkens uitleg.

De belangrijkste resultaten (voor 2014)
-28% van de 12-17 jarigen haalt de Nederlandse Beweegnorm; 32% van de jongens en 24% van de meisjes.
-24% van kinderen uit de stad voldoet aan de Beweegnorm; voor niet-stedelijke gebieden is dit 31%.
-71% van de 12-17 jarigen sport minimaal één keer per week; 55% van de allochtone jeugd en 77% van de autochtone kinderen.
-73% van de 4-11 jarigen speelt na schooltijd wekelijks minimaal één keer buiten.
-80% van de 12-17 jarigen gaat minimaal 3 keer per week op de fiets naar school of werk.
-63% van de 4-11 jarige kinderen kijkt minder dan 2 uur per dag televisie of zit minder dan 2 uur per dag achter de computer.
-Tijdens een doordeweekse schooldag zit een 4-11 jarig kind gemiddeld 7.5 uur per dag; een 12-17 jarig kind zit 9.9 uur.

Vierde risicofactor
De afname in bewegen is een trend die al langer gaande is, niet alleen bij de jeugd. Volgens de wereldgezondheidsorganisatie WHO is lichamelijke inactiviteit inmiddels de vierde risicofactor voor mensen om vroegtijdig aan dood te gaan. Onderzoekers van de ‘Lancet Physical Activity Series Working Group’ geven aan dat bijna 10% van de wereldwijde sterfgevallen te wijten is aan een gebrek aan bewegen.

Dat bewegen het risico op hart- en vaatziekten, diabetes, verschillende kankers en depressie verlaagt: we weten het allemaal maar doen te weinig met de boodschap, zegt Takken. “Het grote probleem zit hem in het bewegen op de achtergrond. Dat wordt steeds minder omdat mensen liever de roltrap nemen of op een e-bike gaan fietsen.” De jeugd volgt. Steeds meer middelbare scholieren gaan op een e-bike naar school en skateboards zijn tegenwoordig ook in een gemotoriseerde versie te koop.

De gevolgen van de beweegarmoede onder de jeugd zijn nu al volop zichtbaar, zegt Takken. En daarbij doelt hij niet zozeer op de steeds verder uitdijende jeugd. Takken: “Jongvolwassenen halen de functietesten van de politie en brandweer niet en Defensie heeft moeite om fitte mensen aan te nemen. Als je een straaljagerpiloot bent, heb je spierkracht nodig om een snelle bocht door te komen. Als je vliegtuig neerstort omdat je te slap bent, dan is je baas daar niet blij mee. Toch een duur ding, zo’n JSF.”

Lullige speelklimpaal
Ideeën om de jeugd weer aan het bewegen te krijgen, Takken heeft ze wel. Kinderen moeten betrokken worden. Takken: “Veel speeltuinen worden niet gebruikt. Dat komt omdat ze worden aangelegd uit het perspectief van volwassenen. Aan de gebruikers, de kinderen dus, wordt helemaal niks gevraagd. Van de volwassenen moet het altijd veilig. Maar als een kind vroeger in een boom klom, hoefde daar toch ook geen CE keurmerk op te staan. Nu staat er zo’n lullige speelklimpaal met een rubberen ondergrond, daar gaat toch geen kind in klimmen.”
Ons paradepaardje, de fiets, moet gekoesterd worden. Takken: “Vooral de middelbare scholieren moeten blijven fietsen want na de lagere school stoppen veel kinderen met georganiseerd sporten. Een minimumleeftijd voor de e-bike zou goed zijn en laten we de scholieren in ieder geval geen OV-kaart geven.”

Incomplete gegevens
Voor het beweegrapport keken Takken en zijn collega’s ook naar de inspanningen van de overheid om sport en bewegen bij kinderen te bevorderen. Een cijfer kon hij echter niet geven. Takken: “De gegevens waren incompleet. De overheid maakt beleid en trekt vervolgens geld uit voor allerlei projectjes. Maar of het effectief is, daar kijkt ze niet naar. Men checkt alleen of het geld op de juiste plek terecht is gekomen maar niet of kinderen meer zijn gaan bewegen of gezonder zijn geworden.

Takken zal de mogelijkheid niet onbenut laten om zijn boodschap over te brengen wanneer hij het beweegrapport vandaag officieel overhandigt aan een afgevaardigde van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Wat het oplevert, dat weten we misschien over twee jaar. Dan verschijnt het namelijk het volgende beweegrapport.