Leven is een strijd, zo moest Darwin concluderen. Maar hoe werkt de door hem geobserveerde ‘survival of the fittest’ nu precies?

Onlangs kon je op Scientias.nl lezen hoe Darwin – aan de hand van een paar vinken, afkomstig van de Galapagoseilanden – zijn evolutietheorie formuleerde. Maar: de vinken waren niet het enige wat Darwin tijdens zijn reizen met de Beagle was opgevallen, zo vertelt bioloog Sara van Duijn in haar boek ‘Alles is biologie‘. Hij vond ook aanwijzingen voor een ander fascinerend fenomeen: ‘survival of the fittest’.

Balans
“Darwin zag ook dat er bij alle soorten meer nakomelingen worden geboren dan er ouders zijn,” zo schrijft Van Duijn. “Het resultaat zou logischerwijs zijn dat de wereld overbevolkt zou raken. Voor elke twee individuen komen er minimaal twee terug – in het geval van de kikker ongeveer 2500 eitjes per paar. Zijn tweede observatie leek dit tegen te spreken, namelijk dat populaties – de groepen van verschillende soorten – door de jaren heen min of meer gelijke aantallen behouden. Zijn conclusie was dat er een soort strijd moest zijn, de strijd om het bestaan, survival of the fittest. Tijdens deze strijd om te overleven tussen individuen van een soort (wat iets heel anders is dan de strijd om voedsel tussen soorten, wat natuurlijk ook overleven is) sterft een deel van de nakomelingen, waardoor de balans behouden blijft.

Variatie
Wat Darwin verder opviel, is dat er binnen een soort behoorlijk veel variatie is. Kijk maar naar mensen: de één heeft blauwe ogen, de ander bruine; de één heeft twee linkerhanden en de ander is heel handig. De conclusie die Darwin trok, was dat bepaalde eigenschappen worden doorgegeven aan nakomelingen en andere niet. Bij mensen geldt dit bijvoorbeeld voor de kleur van de ogen, voor de lichaamsbouw en de mate van intelligentie. Bij mensen en dieren gaat het er bijvoorbeeld om hoe hard ze kunnen rennen, of hoe groot ze zijn, of hoe sterk, of hoe goed ze kunnen horen of zien. Bij dieren wordt de kleur van de vacht doorgegeven, en de manier van communiceren. Dat zijn allemaal eigenschappen die erfelijk zijn, zoals dat heet, en die essentieel zijn voor het overleven. Een dier dat goed kan horen of hard kan lopen, kan zichzelf immers beter beschermen.

Foto: Alexas_Fotos / Pixabay

Een mooi voorbeeld van survival of the fittest is de pauw, met zijn prachtige verenkleed. Die enorme staart is heel onhandig en vereist dat het dier er op een bepaalde manier mee omgaat. Hoe mooier de veren van de pauw, hoe stoerder de pauw zelf is, dat hij met dat onhandige ding kan leven. En hoe stoerder de pauw, hoe groter de kans dat een vrouwtje met hem wil paren. Mooie veren betekent: ik ben sterk, verzorgd, angstaanjagend voor vijanden, en dus krijg ik sterke nakomelingen. Paren met een vrouwtje geeft een grotere kans dat die eigenschappen worden doorgegeven aan zijn nakomelingen, en aan een volgende generatie die op hem lijkt. Ben je toevallig een mannetjespauw met een lelijk verenkleed? Dan wil geen vrouwtje je hebben, zul je je niet kunnen voortplanten en sterft je genenpakket uit. Ook dat is survival of the fittest.

Overleven
Kortom, er zijn twee manieren van overleven in de evolutie. De eerste is het persoonlijke, individuele overleven. Blijven leven tot een individu zich kan voortplanten, niet zo lang mogelijk leven, zoals wij mensen nu, maar gewoon zo lang als nodig is om je flink voort te planten. De tweede vorm van overleven is het overleven van de soort, en dan specifiek van je familie. Het doorgeven van je eigen genen is voor een mannetje het belangrijkst; een vrouwtje wil graag een sterk mannetje omdat de kans dat haar nakomelingen dan overleven groter is. Zo heeft iedereen zijn eigen belangen.

Drie vereisten
Er zijn dus drie vereisten voor evolutie door middel van natuurlijke selectie: ten eerste moet er gevochten worden om te kunnen voortbestaan. Met andere woorden, er moeten eigenlijk altijd te veel individuen van een soort zijn om te kunnen overleven. Ten tweede moet er variatie zijn in een soort, en als laatste moeten bepaalde eigenschappen erfelijk zijn.

Foto: onkelramirez1 / Pixabay

Bruine beer
Hoe veranderen die soorten dan in de loop der tijd? Dat gaat niet binnen één generatie; daar gaan wel een paar generaties overheen. Bij fruitvliegjes betekent dat een paar weken, bij mensen en veel dieren is dat algauw een paar eeuwen. Neem nou de verandering van de gewone bruine beer in de ijsbeer. Zo’n 100.000 jaar geleden waren er alleen bruine donkere beren. Op een gegeven moment waren er beren in besneeuwde gebieden terechtgekomen, op zoek naar voedsel. Er was niet voldoende voedsel voor iedereen (vereiste 1). De donkere beren waren bijzonder goed zichtbaar in die sneeuw. Doordat ze zo goed zichtbaar waren, kon een prooi ze van kilometers ver zien aankomen en vingen ze nooit iets. De donkerbruine beren gingen dan ook alsnog dood van de honger. In de groep zaten een paar iets lichtere beren (variatie, vereiste 2); die waren al iets minder goed zichtbaar voor een prooi, kregen af en toe eten te pakken en overleefden wel. Hierdoor kregen ze de kans zich voort te planten, en de volgende lichting was wat minder donker dan de gemiddelde oorspronkelijke bruine beren (erfelijkheid van vachtkleur, vereiste 3). Van deze nieuwe generatie hadden weer de lichtste beren de meeste kans om een prooi te pakken. De nakomelingen hiervan waren weer iets lichter dan de vorige, tot de beren in de besneeuwde gebieden uiteindelijk zo wit waren als de omgeving. Hierdoor waren ze zo goed als onzichtbaar voor een prooi: de ijsbeer was ontstaan.

Panda. Foto: einszweifrei / Pixabay

Panda
Een ander interessant dier is de panda. Het dier lijkt wat moederschap betreft erg op de mens: er wordt meestal maar één jong geboren per keer en dat jong is bij de geboorte volkomen hulpeloos. Als het jong geboren wordt, weegt het zo’n 100 gram, terwijl een volwassen panda makkelijk 90 kilo kan wegen. Ter vergelijking: een baby weegt zo’n 3400 gram bij geboorte en de gemiddelde mens weegt ook zo’n 80 kilo. Een vrouwtjespanda is maar één tot drie dagen vruchtbaar per jaar, wat de voorplanting complex maakt voor de mannetjes. Het jonge dier groeit wel enorm snel na de geboorte en kan na tien dagen al vier keer zo zwaar zijn. Een panda plant zich dus weinig voort en het jonge dier is de eerste maanden erg kwetsbaar. Daarnaast eet de panda alleen maar bamboe. Niet eens alle bamboe, want er zijn honderden soorten, maar de panda beperkt zich tot twee soorten bamboe en eet hier zo’n 38 kilo per dag van. De panda stamt af van de beren, maar is te log en te langzaam om een prooi te kunnen vangen en heeft zich aangepast aan een dieet van planten. Er was ooit een trage beer die te lui was om achter een hert aan te gaan en die probeerde bamboe. Dat was waarschijnlijk even doorbijten, want bamboe is taai en vezelrijk, maar het beviel. Zijn nakomelingen veranderden steeds meer tot ze panda’s werden. Het spijsverteringssysteem van de panda ziet er echter nog hetzelfde uit als bij de vleesetende voorouders, alleen heeft het een verharde laag om het te beschermen tegen bamboesplinters. De panda heeft dus niet echt gunstige omstandigheden voor zichzelf gecreëerd. De enige reden waarom de panda nog bestaat, is het gebrek aan vijanden. Het dier heeft enorm sterke kaken en kan zo de nek van een jakhals breken. De mens is de enige echte vijand van de panda. We verstoren het leefgebied en vinden de vacht mooi voor bij de open haard, waardoor het gewilde jachtobjecten zijn, met als gevolg dat de panda nu op de lijst van bedreigde diersoorten staat. Maar zonder de mens had de panda nog eeuwen door kunnen blijven bestaan, ondanks zijn onhandigheden.

“Sommige mensen denken dat de evolutie gestopt is, dat wij af zijn en dat de wereld af is. Niets is echter minder waar”

Evolutie gaat door
De vermindering van het aantal panda’s is dus het gevolg van het overleven van de sterkste, in dit geval de mens. Meestal gaat het bij de survival of the fittest echter om eten en niet om de vacht. Op een plaats met voldoende eten is er een evenwicht; er is genoeg eten voor iedereen en evolutie is niet nodig. Verandert er iets in de omgeving, door verandering van klimaat of inbreng van een andere soort – ook de mens –, dan verdwijnt het evenwicht en moeten soorten meer moeite doen om te overleven. Er zijn altijd individuen binnen soorten die zich onderscheiden, waardoor er weer nieuwe soorten worden gevormd of soorten veranderen. Sommige mensen denken dat de evolutie gestopt is, dat wij af zijn en dat de wereld af is. Niets is echter minder waar. Zelfs mensen evolueren nog: ga je niet mee met je tijd, dan is het een stuk moeilijker om te overleven.
Communicatie, vervoer – alles verandert razendsnel, en de mens verandert mee, geestelijk en fysiek. We bewegen minder, krijgen steeds meer impulsen te verwerken. Bij onze soort is er echter iets geks aan de hand: hoe lager opgeleid het individu, hoe meer kinderen het heeft. Hoe hoger opgeleid en hoe meer carrièregericht, hoe later men begint aan kinderen. Met andere woorden, bij ons planten niet per se de sterkste en de slimste mensen zich het meest voort, maar de mensen met, simpelweg, een vroege kinderwens. De mensen die prioriteit geven aan kinderen, en niet aan werken, reizen, in het weekend met z’n tweetjes op stap gaan en op zondag lekker niks. Hoe zou het dan verdergaan met onze soort? Op zich zijn we met vrij veel, dus we redden het nog wel even, maar welke richting zullen wij op evolueren? In de film Idiocracy (2006) wordt een doorsneesoldaat ingevroren als experiment. Hij wordt echter vergeten en ontwaakt pas in de zesentwintigste eeuw. De mensheid bestaat dan alleen nog maar uit ontzettend domme mensen, omdat alleen de dommen en simpelen zich hebben voortgeplant en slimmeriken liever bezig waren met hun carrière. Grappig in een film, maar toch wel een beetje een nachtmerrie voor onze toekomst!”

Dit is een fragment uit het boek ‘Alles is biologie: van DNA en hersenen tot dierenrijk en natuur‘ van bioloog Sara van Duijn. Het boek kan gezien worden als een introductie in de wereld van de biologie en geeft antwoord op uiteenlopende vragen, zoals: ‘Kunnen dieren allergisch zijn?’, ‘Wat is de ultieme overlever?’, ‘Hoe zou ons leven eruit zien zonder maan?’, ‘Zijn er cultuurverschillen bij dieren’ en ‘Gaan we toe naar het oneindige leven?’ Op laagdrempelige wijze doet Van Duijn het antwoord op elke vraag uit de doeken. De korte hoofdstukjes lezen lekker weg en rekenen op verfrissende wijze af met je nieuwsgierigheid. Maar bovenal maakt het boek een einde aan het stoffige imago dat de biologie soms kan hebben. Want biologie is niet saai, maar hartstikke fascinerend!

Nieuwsgierig geworden? Je kunt het boek hier bestellen!