Het koelsysteem bevond zich in de snuit, zo stellen Amerikaanse onderzoekers.

Lang geleden leefden gigantische, zwaar gepantserde dinosaurussen in broeierige klimaten. Hun lichamen waren ook nog eens zo gebouwd dat ze veel warmte vasthielden. Oververhitting lag dus op de loer, zelfs op bewolkte dagen. In het ergste geval zou dit de hersenen kunnen beschadigen, door het hete bloed dat door het lichaam stroomt. Toch hadden de dinosaurussen hier iets slims op gevonden. “Het blijkt dat er in de neus een ‘ingebouwde airconditioner’ bevond,” zegt onderzoeksleider Jason Bourke.

Neusschelpen
Hoewel we met onze neus natuurlijk ruiken, zijn het ook belangrijke warmteregelaars. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat de lucht wordt verwarmd en bevochtigd voordat deze onze tere longen bereikt. Hiervoor hebben we dunne, sponsachtige, schelpvormige beenderen – de neusschelpen – die het oppervlaktegebied vergroten en ervoor zorgen dat lucht meer in contact komt met de neuswanden. Maar hadden dinosaurussen deze dan ook?

Spiraalvormige rietjes
De onderzoekers gebruikten CT-scanning, 3D-reconstructie en computers om te simuleren hoe lucht zich door de neuspassages van twee verschillende ankylosaurussoorten – de Panoplosaurus en de grotere Euoplocephalus – voortbewoog. De onderzoekers ontdekten dat de dino’s geen neusschelpen hadden, maar over langere, opgerolde neuzen beschikten. Ondanks deze vreemde constructie, waren deze neuzen toch net zo goed in staat om de ademlucht op te warmen, of dus juist af te koelen. “Tien jaar geleden ontdekten we al dat Ankylosauria extreem lange neuspassages hadden, opgerold in hun snuit,” zegt co-auteur Lawrence Witmer. “Dit zag er ongeveer net zo uit als spiraalvormige rietjes. Volkomen onverwacht en schijnbaar zonder reden, tot nu.”

De opgerolde neuzen van Panoplosaurus (links) en Euoplocephalus (rechts). Afbeelding: Jason Bourke, Ph.D., NYITCOM at A-State

Airconditioning
In de Panoplosaurus was de neuspassage iets langer dan de schedel zelf. In de Euoplocephalus was deze zelfs bijna twee keer zo lang als het hoofd, maar was ook de snuit zelf opgerold (zie afbeelding hiernaast). Om te testen of de lengte van de neuspassage inderdaad te maken heeft met het regelen van warmte, bestudeerden de onderzoekers alternatieve modellen met kortere, eenvoudige neuspassages die rechtstreeks van het neusgat naar de keel liepen – zoals bij de meeste dieren. En uit de bevindingen blijkt dat de neuslengte inderdaad als een soort airconditioning werkt.

Bloedstroom
Een tweede bewijs voor het de theorie dat de neuzen van de dino’s werkten als airconditioners en hielpen om de hersenen af te koelen, kwam uit een analyse van de bloedstroom. Het team vond een rijke bloedtoevoer die vlak naast de ingewikkelde neusgangen liep. Warm bloed uit het lichaam zou door deze bloedvaten reizen en hun warmte naar de binnenkomende lucht overbrengen. Gelijktijdig koelde de verdamping van vocht in de lange neusdoorgangen het bloed dat bestemd was voor de hersenen, af.

De gecompliceerde luchtwegen van de dinosaurussen fungeerden dus als koelsysteem voor de hersenen, waardoor ze dus te allen tijden hun hoofd letterlijk koel houden. De volgende stap voor de onderzoekers is om ook de luchtwegen van andere dinosaurussen te onderzoeken en om te bepalen wanneer de gecompliceerde ontwikkeling van de neusgang plaatsvond.