Berts vader is timmerman, zijn moeder werkt achter de kassa bij de lokale buurtsuper. Beide ouders kregen de kans niet om te studeren. Bert wel. Toch ondervindt Bert veel hinder tijdens het beklimmen van de ladder. Een hoogopgeleide uit een arbeidersmilieu heeft het vaak moeilijk, concludeert bestuurswetenschapper Mick Matthys.

Matthys van de Universiteit Utrecht interviewde tientallen academisch opgeleiden tussen de 44 en 65 jaar uit verschillende beroepsgroepen en uit verschillende milieus.

Uit de interviews blijkt dat universitair opgeleiden uit een arbeidersmilieu veel hinder ondervinden bij het maken van carrière. Zij beschikken niet over de juiste netwerken en beheersen niet de juiste sociale codes die binnen een bepaalde beroepsgroep. “Zeker bij beroepen waar ook diplomatieke gaven een belangrijke rol spelen, zoals in de medische of de juridische wereld, werkt dat in hun nadeel”, vertelt Matthys.

Daarnaast is het maken van carrière een eenzaam traject voor hoogopgeleiden uit een arbeidersmilieu. “Hun ouders hebben eigenlijk geen idee waar zij mee bezig zijn”, legt Matthys uit. “Enerzijds worden academici uit de arbeidersklasse niet vanzelfsprekend geaccepteerd, anderzijds ontstaat er een kloof met ouders, familie en oude vrienden. Daarmee komen zij in een sociaal isolement terecht. Je moet wel over een enorm doorzettingsvermogen beschikken om je against all odds hogerop te werken. Ze hebben het helemaal zélf moeten doen.”

Matthys vindt het belangrijk dat slimme, goed lerende kinderen uit lagere sociale milieus extra individuele aandacht krijgen. Daarnaast vindt Matthys het zorgelijk dat er gepraat wordt over de afschaffing van de studiebeurzen. Een studiebeurs is voor kinderen uit lagere sociale milieus een belangrijke randvoorwaarde om naar de universiteit te kunnen.