andes

Wetenschappers hebben de hoogste plek ontdekt waar mensen tijdens de ijstijd woonden. In de Andes, op bijna 4500 boven zeeniveau ontdekten ze 12.400 jaar oude sporen die erop wijzen dat mensen hier tijdens de laatste ijstijd leefden.

Hoewel het op deze hoogte bijzonder koud was en er weinig zuurstof voorhanden was, slaagden jagers en verzamelaars erin zich het afgelegen, boomvrije landschap meer dan 12.000 jaar geleden eigen te maken. Dat betekent dat mensen zich 2000 jaar nadat ze voor het eerst in Zuid-Amerika arriveerden, al settelden op een zeer extreme plaats.

Duizend jaar eerder
Lang dachten onderzoekers dat mensen zo’n duizend jaar later pas hoge gebieden zoals de Andes betrokken. Maar de ontdekkingen die ze nu in een grot op zo’n 4480 meter boven de zeespiegel hebben gedaan, ontkrachten dat. Blijkbaar leefden mensen zeker 12.400 jaar geleden al op grote hoogte.

De grot
In de grot ontdekten de onderzoekers gereedschappen die gebruikt werden tijdens de jacht en het slachten van dieren. Ook stuitten ze op resten van planten en botten van dieren. De jagers en verzamelaars joegen klaarblijkelijk onder meer op de vicuña (een alpaca-achtig dier), wilde lama’s en de Peruviaanse huemul (een hertachtige). In de grot zijn tevens tekeningen teruggevonden.

Afdalen
Waarschijnlijk deed de grot dienst als een soort basiskamp. Hoewel het mogelijk moet zijn geweest om het gehele jaar in dit gebied te wonen, is het aannemelijk dat de grotbewoners zo af en toe afdaalden. Heftige stormen, het gevaar van onderkoeling, het verzamelen van eetbare planten en het onderhouden van broodnodige sociale netwerken zouden goede redenen zijn geweest om zo af en toe een bezoekje te brengen aan lager geleden nederzettingen. Bovendien stuitten de onderzoekers op gereedschappen die door water gepolijst zijn. Het zou bewijzen dat de bewoners van de grot voor het vervaardigen van deze gereedschappen moesten afdalen naar een gebied met snelle rivieren.

Onduidelijk is of de mensen die tijdens het staartje van de laatste ijstijd op zo’n grote hoogte woonden daar genetische aanpassingen voor nodig hadden of specifieke maatregelen moesten treffen om zich aan de omgeving aan te passen. Al met al suggereren de ontdekkingen – die erop wijzen dat mensen bijna 1000 jaar eerder dan gedacht al op zo’n grote hoogte konden (over)leven – dat de mensen in deze tijd tot meer in staat waren dan gedacht.