Wetenschappers hebben ontdekt welke genen ervoor zorgen dat Pygmeeën zo klein blijven. En dat levert interessante theorieën op…

De Pygmeeën zijn echt klein. Mannen zijn gemiddeld slechts anderhalve meter hoog. En ook de vrouwen zijn aan de kleine kant. Waarom dit volk zo klein blijft, was lang onduidelijk. Maar een nieuw onderzoek van de universiteit van Pennsylvania biedt nu wat meer duidelijkheid. De studie suggereert dat hormonen en het immuunsysteem de drijvende kracht achter het korte postuur van de Pygmeeën is.

Pygmeeën en Bantu’s
De Pygmeeën zijn buren van de Bantu’s. Ooit maakten ze deel uit van dezelfde groep, maar zo’n 60.000 tot 70.000 jaar geleden gingen ze genetisch gezien elk hun eigen weg. En vandaag de dag zijn de Pygmeeën gemiddeld 17 centimeter korter dan de Bantu’s. Zo’n 4000 tot 5000 jaar geleden liepen de Bantu’s en Pygmeeën elkaar weer tegen het lijf en vermengden de groepen zich. Hierbij waren het voornamelijk mannelijke Bantu’s die kinderen kregen met vrouwelijke Pygmeeën. De kinderen bleven in de dorpen van de Pygmeeën wonen. Dus in de Pygmeeën is genetisch materiaal van de Bantu’s terug te vinden, terwijl het genoom van de Bantu’s weinig genetisch materiaal van de Pygmeeën bevat. De wetenschappers verzamelden 67 Pygmeeën en 58 Bantu’s en zochten naar genen die konden verklaren waarom de Pygmeeën zo klein waren. Uit het onderzoek blijkt dat het korte postuur van de Pygmeeën in ieder geval genetisch bepaald is: Pygmeeën met veel genetisch materiaal van de Bantu’s in zich, waren over het algemeen groter dan Pygmeeën met weinig genetisch materiaal van de Bantu’s.

Chromosoom 3
Zoals gezegd is het genetisch materiaal van de Bantu’s en Pygmeeën flink met elkaar vermengd. Maar de onderzoekers ontdekten dat één deel van het genoom van Pygmeeën sterk verschilde van het genoom van de Bantu’s. Het gaat om chromosoom 3, zo meldt het blad PLoS ONE. Opvallend genoeg kwam dat deel van het genoom ook bovendrijven toen de onderzoekers zochten naar sporen van natuurlijke selectie. En opnieuw toen de onderzoekers zochten naar genen die samenhangen met grootte. Genoeg reden voor de onderzoekers om de genen in dit chromosoom eens van dichtbij te bekijken.

CISH
Direct vielen er twee genen op: DOCK3 en CISH. DOCK3 werd eerder al in verband gebracht met verschillen in grootte tussen Europese populaties. En ook CISH is een bekende: muizen waarbij dit gen heel actief is, zijn kleiner. Maar uit eerder onderzoek is ook gebleken dat CISH invloed heeft op de vatbaarheid voor infectieziekten. Dat zou kunnen verklaren waarom de Pygmeeën zo klein zijn. Ze zijn gebaat bij een actief CISH-gen, want zij worden in de bossen aan heel wat parasieten en ziekteverwekkers blootgesteld.

Vroeg volwassen
De onderzoekers zochten ook naar mutaties die een evolutionair voordeel met zich meebrachten en dus leidden tot een natuurlijke selectie. En die vonden ze. De mutaties hadden te maken met hormonen die ervoor zorgden dat de Pygmeeën eerder in staat waren om zich voort te planten. Die mutaties zorgden er echter ook voor dat de Pygmeeën niet zo groot werden. “En dat is intrigerend,” vindt onderzoeker Sarah Tishkoff. Het levert een interessante hypothese op. “Namelijk dat de Pygmeeën kort zijn, zodat ze eerder volwassen worden.” En dat is niet zo’n gekke hypothese. De gemiddelde Pygmee wordt niet ouder dan 24 jaar. Het is daarom belangrijk dat zij zich op relatief jonge leeftijd al voortplanten.

Het onderzoek suggereert dat de Pygmeeën niet kort zijn, omdat ze daar direct bij gebaat zijn. Het lijkt eerder een bijwerking te zijn. Genen die de lengte van mensen regelen, hebben ook andere functies. In dit geval: met betrekking tot het immuunsysteem en de voortplanting. En op die gebieden zijn de Pygmeeën wel gebaat bij enkele mutaties. Maar dat betekent dat ze iets van hun lengte in moeten leveren.