De stokoude groep NGC 6397 is 7.800 lichtjaar van de aarde verwijderd.

Normaal gesproken schatten astronomen de afstanden tot bolvormige sterrenhopen door helderheid en kleuren van sterren te vergelijken met theoretische modellen. Helaas blijven het vaak schattingen, waardoor de gemeten afstanden tien tot twintig procent kunnen afwijken.

Bolvormige sterrenhopen
Bolvormige sterrenhopen zijn het beste te omschrijven als grote ballen, bestaande uit sterren. Ze draaien rond het centrum van sterrenstelsels. De geboorte van een bolvormige sterrenhoop gaat vrij snel. Een wolk die nu nog vrij van sterren is, kan in een miljoen jaar tijd al veranderen in een echte bolvormige sterrenhoop. Toch sterven bolvormige sterrenhopen uit. Dit heeft ermee te maken dat het gas begint op te raken, waardoor sterren niet langer op grote schaal worden geboren in reusachtige hopen.

De foutmarge is nu slechts drie procent. Om dit te bereiken gebruikten de wetenschappers een techniek, die ook al door de oude Grieken werd gebruikt: trigonometrie. Dankzij driehoeksmeting kunnen astronomen afstanden tot objecten in het nabije universum berekenen. Maar door op zoek te gaan naar kleine, bijzondere driehoeken slaagden astronomen er nu in om de spreekwoordelijke meetlat van Hubble verder uit te steken.

De eerste sterren

NGC 6397 blijkt 13,4 miljard jaar oud te zijn. Aangezien het heelal 13,7 miljard jaar oud is, betekent dit dat de eerste sterren in de bolvormige sterrenhoop 300 tot 400 miljoen jaar na de oerknal ontstonden. Dat is erg vroeg, want de allereerste sterren in ons universum verschenen zo’n 180 miljoen na de oerknal op het kosmische toneel.

In het geval van NGC 6397 keken astronomen Tom Brown, Adam Riess en Stefano Casertano naar zogenoemde Cepheïden. Dit zijn pulserende, veranderlijke sterren die wetenschappers gebruiken om de snelheid van de expansie van het heelal te meten. Hubble’s Wide Field Camera 3 hield twee jaar lang veertig sterren in NGC 6397 in de gaten. Door de resultaten te combineren kwamen Riess en Casertano op 7.800 lichtjaar (± 3%).

Het doel? “Een foutmarge van minder dan één procent,” zegt Tom Brown van het Space Telescope Science Institute in Baltimore. Dit is geen onmogelijke opgave. Door data van Hubble te combineren met de resultaten van het Gaia-observatorium kan de foutmarge sneuvelen. Eind deze maand krijgen wetenschappers toegang tot de Gaia-data. Spannend!