P. verticillata

In de achttiende eeuw ontdekte Carolus Linnaeus dat nieuwe soorten kunnen ontstaan door hybridisatie. Deze manier van soortvorming, nu bekend als hybride speciatie, komt regelmatig voor bij planten. Maar ook in het dierenrijk vindt men af en toe een hybride soort.

Carolus Linnaeus is vooral bekend als grondlegger van het moderne systeem van naamgeving in de biologie. In zijn Systema Naturae (1735) schreef hij ‘nullae dantur species novae’ (er zijn geen nieuwe soorten), waarmee hij aangaf dat alle soorten onveranderlijk gebleven zijn sinds hun schepping. Maar enkele jaren later ontving hij van een collega een merkwaardige plant uit het genus Linaria. Hij ontdekte dat deze plant een hybride oorsprong had en stelde een theorie voor waarop nieuwe soorten kunnen ontstaan, namelijk door middel van hybridisatie. Dat noemen we ook wel hybride speciatie. Het komt regelmatig voor bij planten, maar ook in het dierenrijk zijn enkele hybride soorten te vinden.

Chromosomen
Op basis van het aantal chromosomen van de hybride soort, maken biologen een onderscheid tussen twee algemene vormen van hybride speciatie. Wanneer hybriden een dubbel (soms zelfs driedubbel) chromosomenaantal hebben ten opzichte van hun oudersoorten, spreekt men van polyploidy. Een mooi voorbeeld hiervan komt uit de Royal Botanical Gardens in Kew (Verenigd Koninkrijk). Hier ontdekten botanisten dat de Kew sleutelbloem (Primula kewensis) het resultaat was van een kruising tussen twee andere soorten (P. floribunda en P. verticillata, zie afbeelding hierboven). Verder onderzoek toonde aan dat P. kewensis 36 chromosomen heeft en de twee oorspronkelijke oudersoorten elk 18.

Geen verandering
Bij de andere vorm van hybride speciatie vindt er geen verandering in het aantal chromosomen plaats. Biologen hebben het dan over homoploide hybride speciatie. Bij planten zijn er tot nu toe een twintigtal gevallen bekend. Het best beschreven zijn drie soorten zonnebloemen (Heliantus anomalus, H. deserticola en H. paradoxus), die elk het resultaat zijn van kruisingen tussen H. annuus en H. petiolaris.

Vlinders uit het geslacht Heliconius. Boven van links naar rechts: Heliconius erato notabilis, Heliconius erato etylus, Heliconius erato emma. Midden van links naar rechts: Heliconius melpomene melpomene, Heliconius heurippa, Heliconius cydno cordula. Onder: Heliconius charithonia, Heliconius hermathena renatae, Heliconius erato hydara.  Afbeelding: Hybrid trait speciation and Heliconius butterflies, Philosophical Transactions of the Royal Society B, 27 September 2008 vol. 363 no. 1506 3047-3054.

Vlinders uit het geslacht Heliconius. Boven van links naar rechts: Heliconius erato notabilis, Heliconius erato etylus, Heliconius erato emma. Midden van links naar rechts: Heliconius melpomene melpomene, Heliconius heurippa, Heliconius cydno cordula. Onder: Heliconius charithonia, Heliconius hermathena renatae, Heliconius erato hydara. Afbeelding: Hybrid trait speciation and Heliconius butterflies, Philosophical Transactions of the Royal Society B, 27 September 2008 vol. 363 no. 1506 3047-3054.

Hybride speciatie is vooral goed bestudeerd in de plantenwereld. Maar het aantal studies dat hybride diersoorten meldt, groeit snel. Het meeste overtuigende voorbeeld werd beschreven bij vlinders uit het genus Heliconius. Op basis van de vleugelpatronen vermoedden Jesus Mavarez (Smithsonian Tropical Research Institute, Panama) en zijn collega’s dat H. heurripa een kruising was tussen H. melponene en H. cydno. Zij kruisten de twee soorten in gevangenschap en volgens hun verwachtingen leken alle kruisingen sprekend op H. heurripa. Daaropvolgend genetisch onderzoek bevestigde de hybride oorsprong van deze soort. In 2008 publiceerde diezelfde Jesus Mavarez samen met Mauricio Linares een lijst van mogelijke hybride soorten in het dierenrijk. Met de huidige vooruitgang in genetische technieken kunnen wetenschappers nagaan of alle soorten op deze lijst wel degelijk hybriden zijn. Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Jente Ottenburghs (1988) heeft sinds zijn Master Evolutie en Gedragsbiologie aan de Universiteit van Antwerpen een brede interesse voor evolutionaire biologie. Sinds mei 2012 werkt hij als PhD-student bij de Resource Ecology Group aan de Universiteit van Wageningen. Meer informatie over zijn onderzoek vindt u hier.