Wie het virus heeft gehad, is niet automatisch gevrijwaard van een nieuwe infectie, zo suggereert onder meer onderzoek naar andere coronavirussen.

Kort nadat het nieuwe coronavirus SARS-CoV-2 opdook, gingen velen er bijna automatisch vanuit dat mensen die het virus hadden gehad, er immuun voor waren. En menig regeringsleider droomde al van kudde-immuniteit, waarbij het overgrote deel van de populatie het virus niet langer kon krijgen of verspreiden en ook mensen die het virus nog niet hadden gehad zich dankzij de (immune) rest van de kudde beschermd mochten weten.

Op losse schroeven
De afgelopen maanden is het idee dat mensen immuun kunnen zijn voor SARS-CoV-2 echter steeds meer op losse schroeven komen te staan. Reden genoeg voor de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om eind vorige week nog eens te benadrukken dat er op dit moment geen enkel bewijs is dat mensen die het virus onder de leden hebben gehad, er in de toekomst niets meer van te vrezen hebben.


De mededeling van de WHO volgt op het nieuws dat sommige overheden spelen met de gedachte om ‘immuniteitspaspoorten’ uit te delen: documenten waarmee mensen die het virus reeds hebben gehad, meer bewegingsvrijheid kunnen krijgen. Een gevaarlijk idee, zo stelt de WHO. “Op dit punt in de pandemie is er niet genoeg bewijs voor een effectief, door antistoffen mogelijk gemaakte immuniteit.”

Antistoffen
Verschillende, haastig opgezette, studies hebben weliswaar aangetoond dat mensen die het virus gehad hebben, antistoffen tegen het virus aanmaken. Maar, zo benadrukt de WHO, onduidelijk blijft of deze ook daadwerkelijk kunnen voorkomen dat er een tweede infectie optreedt. “Er is nog geen onderzoek gedaan naar de vraag of de aanwezigheid van antistoffen tegen SARS-CoV-2 mensen ook beschermt tegen een volgende infectie door dit virus.”

Op dit moment lopen er verschillende studies waarbij er bij grote groepen mensen bloed wordt afgenomen om te kijken of zij antistoffen tegen het nieuwe coronavirus hebben aangemaakt. Deze studies zijn absoluut belangrijk, zo benadrukt de WHO. Ze kunnen namelijk meer inzicht geven in hoeveel mensen het virus al hebben gehad, maar geen of nauwelijks symptomen hebben vertoond. Door deze studies kunnen we mogelijk te weten komen waarom sommige mensen heel erg ziek worden door SARS-CoV-2, terwijl anderen er weinig of niets van merken. Deze antistoffen-onderzoeken zijn in de meeste gevallen echter niet ontworpen om te onthullen of mensen immuun zijn voor het nieuwe coronavirus.

Belangrijke vraag
De vraag of mensen (langdurig) immuun kunnen zijn voor SARS-CoV-2 kan op dit moment onmogelijk beantwoord worden. Daarvoor kennen we het virus nog niet goed genoeg en weten we te weinig over de manier waarop ons lichaam erop reageert. Tegelijkertijd is het wel heel belangrijk om te achterhalen of er iets van immuniteit ontstaat. Want de toekomst van dit virus – en dus het verloop van de pandemie – wordt sterk bepaald door de vraag of mensen er enige vorm van immuniteit voor opbouwen. Als dat helemaal niet gebeurt, kun je je voorstellen dat het virus – in afwezigheid van een vaccin – door de wereldbevolking blijft golven. Wanneer mensen er wel kortdurend – zo rond de 40 weken bijvoorbeeld – immuun voor zijn, kun je je voorstellen dat het virus jaarlijks toeslaat. Terwijl het bij een langer aanhoudende immuniteit, misschien om het jaar opduikt. Het zijn totaal verschillende scenario’s, die elk om een andere aanpak vragen, willen we dit virus eronder krijgen. Je begrijpt dat wetenschappers graag willen vaststellen welk scenario het meest overeenkomt met de werkelijkheid en dus ook willen achterhalen of er enige vorm van immuniteit ontstaat. Maar dat kost tijd. Want daarvoor moet je mensen die het virus gehad hebben, eigenlijk langdurig monitoren.


Alternatief onderzoek
Om toch – in dit stadium van de pandemie – helder te krijgen of het immuunsysteem zich na infectie op de één of andere manier tegen het nieuwe coronavirus wapent, wordt ook wel naar andere coronavirussen gekeken. Zo verscheen in maart een onderzoek waarin een hoofdrol is weggelegd voor de coronavirussen HKU1, 229E, NL63 en OC43. En de bevindingen van die studie zijn niet direct hoopgevend. Onderzoek naar deze – mildere – coronavirussen wijst namelijk uit dat ze mensen (in vrij korte tijd) herhaaldelijk kunnen infecteren.

De studie
De onderzoekers bestudeerden 191 inwoners van New York. Tussen 2016 en 2018 werd het neusslijmvlies van de proefpersonen elke week bemonsterd. Ook hielden de proefpersonen een dagboek bij waarin ze eventuele luchtwegklachten noteerden. “Tijdens het onderzoek testten 12 individuen herhaaldelijk positief op hetzelfde coronavirus,” zo schrijven de onderzoekers. En dat gebeurde altijd binnen een jaar na de eerste infectie. Het lijkt erop te wijzen dat mensen in het gunstigste geval slechts kortdurend immuun zijn voor deze coronavirussen. Een andere mogelijkheid is dat de virussen vrij snel evolueren, waardoor de wapens van het immuunsysteem al vrij snel na de eerste infectie onafdoende zijn.

Wat verder uit het onderzoek naar de vier over het algemeen milde coronavirussen blijkt, is dat ze bij herhaaldelijke infectie vaak eenzelfde ziekteverloop kennen. Dus mensen die bij de eerste infectie geen of nauwelijks symptomen hadden, hadden die bij de tweede of derde infectie ook niet of nauwelijks. Ook valt op dat familieleden vaak eenzelfde ziekteverloop doormaakten. Het wijst er volgens de onderzoekers voorzichtig op dat de immuunrespons in ieder geval deels genetisch bepaald is. Ook in het geval van SARS-CoV-2 lijken genen in ieder geval deels te kunnen verklaren waarom sommige mensen er heel ziek van worden en anderen niet of nauwelijks symptomen vertonen.

SARS-CoV-2
Of de antistoffen nu verdwijnen of virussen veranderen; een tweede of derde infectie ligt voor de onderzochte coronavirussen dus al snel op de loer. Of dat ook voor SARS-CoV-2 geldt, blijft koffiedik kijken. Zo wijzen de onderzoekers erop dat de immuniteit voor de coronavirussen in hun studie mogelijk sneller in rook opgaat doordat ze gepaard gaan met milde symptomen en alleen een immuunrespons oproepen in de bovenste luchtwegen. Het idee dat ernstigere virusinfecties een sterkere immuunrespons oproepen, wordt onderschreven door dieronderzoek. Zo bleken varkens na infectie met een mild coronavirus dat PRCV wordt genoemd, hun immuniteit voor het virus na een jaar kwijt te raken. Terwijl het immuunsysteem van muizen die geïnfecteerd werden met het coronavirus MHV – dat ernstige infecties veroorzaakt – een nauwe samenwerking tussen virusspecifieke antistoffen en T-cellen op poten zet, waardoor de muizen die de eerste infectie overleven zich levenslang tegen het virus beschermd mogen weten. Iets soortgelijks zagen we gebeuren onder mensen die de ernstige coronavirussen SARS en MERS opliepen. Bij mensen die deze infecties overleefden, werden zeker twee jaar later nog specifieke antistoffen tegen de virussen aangetroffen. Na vijf jaar bleken voormalige SARS-patiënten die antistoffen niet meer te herbergen, maar wel nog zogenoemde T-geheugencellen te bevatten. Deze zijn in theorie in staat om het virus te herkennen en een snelle immuunrespons op touw te zetten. “Of de aanwezigheid van deze T-cellen genoeg is om een snelle, beschermende reactie op te roepen tegen een nieuwe SARS-infectie is niet onderzocht,” aldus de onderzoekers.

En zo blijven er dus ook als het om de wat beter onderzochte coronavirussen gaat, behoorlijk wat losse eindjes. Reden genoeg om naast SARS-CoV-2 ook de mildere – en soms aan dit gevaarlijke coronavirus verwante – virussen nauwlettend in de gaten te houden en te onderzoeken hoe ons lichaam erop reageert. In afwachting van die vervolgstudies is voorzichtigheid in ieder geval op zijn plaats en moeten we vooral niet rekenen op (blijvende) immuniteit. Want daarmee kunnen we onszelf in de vingers snijden, zo waarschuwt de WHO. “Mensen die aannemen dat ze immuun zijn voor een tweede infectie, omdat ze al positief getest zijn (op SARS-CoV-2, red.) kunnen de richtlijnen gaan negeren.” Waardoor het virus zich vervolgens mogelijk dus weer gemakkelijker kan gaan verspreiden. En dat is – zeker nu steeds meer landen erin slagen het virus min of meer te bedwingen – natuurlijk het laatste wat we willen. En dus rekenen we als het om immuniteit gaat, voor nu maar beter nergens op. Dan kan het virus ons op dat punt in ieder geval niet verrassen.