“In het westen neemt men nu als vanzelfsprekend aan dat religie van zichzelf gewelddadig is,” zo schrijft Karen Armstrong in haar nieuwste boek ‘In naam van God’. Maar is dat wel terecht?

De komende weken zullen we een antwoord proberen te vinden op die vraag. Deze week onderzoekt Scientias, aan de hand van Armstrongs boek, de oorsprong van religie en geweld waarna we de theorie toe zullen passen op de actualiteit. Zo willen wij vragen beantwoorden als ‘hebben terrorisme en de Islam iets met elkaar te maken?’, ‘is de ene religie gewelddadiger dan de ander?’ en ‘zijn terroristische aanslagen nu religieus of politiek van aard?’.

Foto gemaakt door openDemocracy via Flickr.

Foto gemaakt door openDemocracy via Flickr.

De definitie van religie
Om te beginnen zullen we religie eerst moeten definiëren; iets wat niet gemakkelijk is volgens Armstrong. “Het is nu in de academische wereld al zo’n vijftig jaar duidelijk dat er geen universele definitie van religie te geven is.” In het westen zou men religie zien als een coherent systeem van drie vereisten: geloofsopvattingen, instellingen en rituelen rond een bovennatuurlijke god. Beoefening van een religie is in principe privé en afgesloten van alle ‘wereldse’ activiteiten. Maar als we het woord ‘religie’ proberen te vertalen naar andere talen dan is dat onmogelijk. De term die wij als religie kennen in het westen bestaat in het Arabisch, Hebreeuws, Grieks of Latijn niet. Wanneer het Latijnse woord ‘religio’ gebruikt wordt, heeft dit voor velen verschillende betekenissen. Zo verwees het in Europa naar het kloosterleven en gaf de term het onderscheid aan tussen de monnik en de seculiere priester, die leefde en werkte in de wereld. En voor Augustinus was religio geen stelsel van rituelen en doctrines of een geïnstitutionaliseerde historische traditie, maar een persoonlijk contact met de transcendente aanwezigheid die we God noemen, tevens een band die ons verenigt met het goddelijke en met elkaar. Eerder interviewde Scientias Matthew Kneale; ook hij vindt het lastig om religie te definiëren. Zo worden volgens hem radicale bewegingen ook met religie in verband gebracht, terwijl hij van mening is dat deze puur politiek zijn en niets met religie te maken hebben. Volgens Armstrong sluit alleen het protestantse christendom aan bij de westerse opvatting van religie. “De gewoonte om religie en politiek gescheiden te houden, is nu in het westen zo ingeburgerd dat het voor ons moeilijk is in te schatten hoe nauw de twee in het verleden verweven waren. Het ging er nooit simpelweg om dat de staat religie ‘gebruikte’; de twee waren niet te scheiden want als je de twee uit elkaar wilt halen, is dat zoiets als proberen de gin aan de cocktail te onttrekken.”

De zingeving van oorlogvoering

Chris Hedgens, oorlogscorrespondent voor The New York Times en gequoteerd in het boek van Armstrong is van mening dat onze reactie op geweld nog steeds voortleeft in onze aard. “Oorlog maakt de wereld begrijpelijk, een zwart-wittableau van zij en wij. In een oorlog wordt het denken tijdelijk buiten werking gesteld, vooral het kritisch denken over jezelf. Iedereen maakt zich ondergeschikt aan de ultieme inspanning. Wij zijn één. De meesten van ons zijn bereid oorlog te accepteren zolang we deze een plaats kunnen geven in een geloofssysteem dat het komende lijden voorstelt als iets wat noodzakelijk is voor een hoger doel, want mensen hebben niet alleen behoefte aan geluk, maar ook aan zingeving. En tragisch genoeg is oorlog soms de krachtigste manier in een menselijke samenleving om zingeving te bereiken.”

Religie en staat: niet te scheiden
Vroeger, voordat de moderne tijd aanbrak, was religie verbonden aan alle aspecten van het leven. Activiteiten, die wij nu als werelds beschouwen, waren vroeger heilig; de jacht, landbouw, de opkomst van een staat, handel maar ook het dobbelspel en een touwtrekwedstrijd. Ook oorlogvoering was heilig. Volgens Armstrong zijn mensen wezens die een grote behoefte hebben aan zingeving; we zijn anders geneigd om makkelijk wanhopig te worden. Mensen willen antwoorden: “We vinden het verbazingwekkend dat we hier überhaupt zijn en willen weten waarom”. Hoe ontstond die zingeving die mensen in religie terugvinden? Dat heeft onder andere te maken met onze drie breinen, die volgens Armstrong wat ongemakkelijk naast elkaar functioneren.

Onze erfenis: drie breinen
Mensen hebben drie breinen; het eerste erfde wij van de reptielen en is ons ‘oude brein’. Dit brein bevat mechanismen die ons aanzetten onszelf te voeden, te vechten, te vluchten en voort te planten. Dit is een egoïstisch brein: alles werd gedaan om voedsel te vergaren en het eigen bestaan te verzekeren. Deze genen werden steeds door de sterkste doorgegeven waardoor zelfzuchtige impulsen werden geïntensiveerd. Over dit oude brein heen kwam 120 miljoen jaar geleden het limbisch systeem. Dit brein zorgt er voor dat mensen hun kroost voeden en beschermen en in staat zijn om bondgenootschappen te vormen met andere individuen. Dit is een keerpunt: mensen kunnen nu niet alleen zichzelf liefhebben maar ook anderen. Twintigduizend jaar later ontstond ons derde brein: de neocortex. Dit hersendeel is verantwoordelijk voor ons denkvermogen en zelfbewustzijn waardoor we in staat zijn om enige afstand te nemen van onze instinctieve en primitieve emoties. Maar wat hebben deze drie breinen met religie te maken?

Foto gemaakt door Mikael Altemark via Flickr.

Foto gemaakt door Mikael Altemark via Flickr.

De vroegste vorm van religie
Jagers en verzamelaars waren afhankelijk van het doden van dieren; er moest immers gegeten worden. Zij waren hier toe in staat mede door hun oude brein, geërfd van de reptielen. Maar het limbisch systeem bezorgde hen mogelijk een ongemakkelijk gevoel. Dit kunnen we volgens Armstrong niet alleen afleiden uit archeologische vondsten zoals grotschilderingen maar ook uit de rituelen van moderne stammen. “Omdat zij de dieren moeten doden die zij als vrienden en beschermers beschouwen, proberen zij hun angst te temperen met een rituele reiniging.” De vroegste vorm van religie had dus te maken met het feit dat het leven afhankelijk was van de dood van andere wezens. De daaropvolgende rituelen hielpen mensen om dit onder ogen te zien. Hoewel jagers voorafgaand de jacht een bezwaard gevoel hadden, werd dit gevoel tijdens de jacht vervangen door een heel ander gevoel: een roes. “Bij de activiteit van jagen, roven en vechten wordt onze zetel van emoties overspoeld door serotonine, de neurotransmitter die verantwoordelijk is voor het gevoel van extase dat we ook associëren met bepaalde vormen van religieuze beleving. Zodoende werden deze gewelddadige ondernemingen opgevat als natuurlijke religieuze activiteiten.” Iemand die vecht en daarbij anderen dood, voelt dan ook een soort zelfbevestiging die anderen in rituelen vinden.

Alles wijst erop dat grootschalig georganiseerd geweld vanaf het eerste begin niet in verband stond met religie, maar met georganiseerde diefstal.
In naam van God - Karen Armstrong.

In naam van God – Karen Armstrong.

Oorlog en Mythologie
Volgens Armstrong vecht men niet alleen om nobel te zijn maar ook om te ontsnappen aan het saaie en zinloze van het gewone huiselijke bestaan. Maar door ons limbisch systeem in de hersenen voelen wij ons er achteraf wel schuldig over. Daarom omhullen we al het geweld in een mythologie. Dit heeft als functie om afstand te scheppen tussen ons en de vijand. Niet alleen Armstrong maar ook professor Simon Harrison beschrijft dit in een eerder gepubliceerd artikel op Scientias. Soldaten overdrijven de verschillen van ras, religie of ideologie zodat de vijand geen mens meer is maar een monster. Toch blijkt uit onderzoek van brigadegeneraal S.L.A. Marshall van het Amerikaanse leger dat men niet altijd zo overtuigd een ander kan doden. Uit interviews met veteranen uit de Tweede Wereldoorlog blijkt namelijk dat slechts 15 tot 20 procent rechtstreeks op de vijand kon schieten en dat de rest dit probeerde te vermijden of methoden bedacht om dit te verbergen. Om efficiënte soldaten te creëren en dit te voorkomen moet men de emoties kunnen onderdrukken, net zoals monniken en yogi’s doen volgens Armstrong.

De roes van de soldaat

Psychiaters die oorlogsveteranen behandelen voor een posttraumatische stressstoornis hebben opgemerkt dat de eerder genoemde zelfbevestiging die wordt ervaren bij een eliminatie bijna erotisch is. Zo beschreef een Vietnamveteraan een foto van zichzelf waarop hij twee afgehakte hoofden aan de haren omhooghield. Gequoteerd in het boek: “Hij zei dat de oorlog een hel was, een plaats waar gek volkomen natuurlijk was en alles onbeheersbaar was, maar hij sloot aldus af: ‘Het ergste wat ik over mezelf kan zeggen, is dat ik in de tijd dat ik daar was, echt leefde. Ik hield ervan zoals je van de roes van adrenaline kunt houden, zoals je van je vrienden kunt houden, je vaste kameraden. Zo onecht en tegelijk het echtste wat me ooit is overkomen. En misschien is het voor mij nu het ergst dat ik in vredestijd leef zonder een mogelijkheid die roes weer te beleven. Ik haat waar die roes mee te maken had, maar ik hield van die roes’.”

Het trauma: de agrarische revolutie
Hoewel er in de tijd van de Jagers en verzamelaars al gedood werd ontstond echte oorlog pas na de agrarische revolutie. Dit was volgens Armstrong een zeer traumatische ervaring voor de mensheid. Dit is ook het punt waar men zich nog meer op mythologie ging focussen. In de periode daarvoor was een groep mensen afhankelijk van elkaar; zij konden alleen overleven als iedereen het beschikbare voedsel eerlijk verdeelde. Maar met de landbouw kwamen overschotten die een kleine groep vervolgens kon gebruiken om zichzelf te verrijken en een monopolie op geweld op te bouwen en daardoor de rest van de bevolking kon domineren. Armstrong: “Alles wijst erop dat grootschalig georganiseerd geweld vanaf het eerste begin niet in verband stond met religie, maar met georganiseerde diefstal.” Oorlogvoering werd onmisbaar in de tijd van de agrarische revolutie; “de heersende klasse moest haar macht over de boerendorpen in stand houden, landerijen beschermen tegen aanvallers, meer land veroveren en zelfs de miniemste vorm van ongehoorzaamheid meedogenloos onderdrukken.”

Het verband: de staat, religie en geweld
“Elke grote geloofstraditie heeft dan ook het politieke bewind gevolgd waarin ze opkwam; geen enkele geloofstraditie is een wereldreligie geworden zonder de bescherming van een militair machtig rijk.” Volgens Armstrong kunnen we ons geen simplistische veronderstellingen veroorloven over de aard van religie of de rol ervan in de wereld. Het is volgens haar gecompliceerder dan dat. Zo merkt zij op dat militaire macht en religie van essentieel belang waren voor de staat, maar ook dat deze twee al vanaf het begin te maken hadden met het dilemma van noodzakelijk geweld. “Premoderne mensen die bij politiek betrokken waren, dachten in religieuze termen en dat het geloof deel uitmaakte van hun poging tot zingeving in de wereld.”

In het tweede deel van dit artikel, dat op zaterdag 18 april 2015 gepubliceerd zal worden, past Scientias, samen met een deskundige, deze theorie van Karen Armstrong toe op de actualiteit en gaan wij dieper in op onder andere de relatie tussen religie en de Jihad.