Maar wat is het dan wel?

Het interstellaire object ‘Oumuamua blijft de gemoederen bezighouden. Het object – dat in 2017 ontdekt werd en de boeken inging als het eerste interstellaire object dat in ons zonnestelsel is aangetroffen – is in meerdere opzichten bijzonder raadselachtig gebleken. Pogingen om het object te classificeren, verliepen weinig succesvol. Zo dachten onderzoekers in eerste instantie met een interstellaire planetoïde van doen te hebben, maar later werd deze toch weer aangeduid als komeet en sommigen gingen er zelfs kortstondig vanuit dat het een heus buitenaards ruimteschip was.

Waterstofijs
Maar eerder dit jaar leken onderzoekers het lek boven te hebben. “Wij hebben een theorie ontwikkeld die alle vreemde eigenschappen van ‘Oumuamua verklaart,” zo stelde onderzoeker Gregory Laughlin. “Wij tonen aan dat het object waarschijnlijk bestaat uit waterstofijs. Dit is een nieuw type object, maar het ziet ernaar uit dat we in de toekomst nog veel meer van dit soort objecten gaan ontdekken.


Even leek het erop dat astronomen zich over de oorsprong en samenstelling van ‘Oumuamua niet langer het hoofd hoefden te breken. Maar een nieuwe studie veegt de conclusie van Laughlin nu abrupt van tafel. In het blad The Astrophysical Journal Letters stellen onderzoekers dat het interstellaire object onmogelijk uit waterstofijs kan bestaan.

Te lange reis
“Wij vermoedden dat waterstofijsbergen de reis – die waarschijnlijk honderden miljoenen jaren in beslag neemt – niet overleven, omdat ze te snel verdampen,” legt onderzoeker Avi Loeb uit. Onderweg zou het waterstofijs volgens Loeb en collega’s niet alleen worden aangetast door interstellaire en kosmische straling, maar bovenal ook door de warmte afkomstig van sterren. Zelfs als het object in de dichtstbijzijnde moleculaire wolk het levenslicht zou hebben gezien, zou het – als het uit waterstofijs bestond – waarschijnlijk uiteen zijn gevallen nog voor het zonnestelsel was bereikt. “De meest waarschijnlijke plek voor de totstandkoming van waterstofijsbergen is een gebied in het interstellaire medium met een hoge dichtheid,” legt Loeb uit. “En dat zijn grote moleculaire wolken.” Maar de dichtstbijzijnde is al 17.000 lichtjaar van ons verwijderd.

Moleculaire wolken
En niet alleen de jarenlange reis is een brug te ver voor een waterstofijsberg. Loeb en collega’s hebben ook hun bedenkingen bij het idee dat zo’n waterstofijsberg überhaupt het levenslicht kan zien in een moleculaire wolk, zoals W51. “Het voorstel van (…) Laughlin leek veelbelovend, omdat het de extreem langgerekte vorm van ‘Oumuamua als ook de plotselinge versnelling van het object kon verklaren,” vertelt onderzoeker Thiem Hoang. “Maar de theorie is gebaseerd op de aanname dat waterstofijs tot stand kan komen in dichte moleculaire wolken.” En daar hebben Hoang en collega’s hun twijfels bij. Over het algemeen wordt aangenomen dat grotere objecten – in de orde van kilometers – gestaag groeien. Het begint allemaal met een piepklein korreltje dat vervolgens door (zachte) botsingen met andere deeltjes groeit. “Maar in gebieden waar de gasdichtheid groot is, komt bij botsingen warmte vrij die de waterstofmantel op de deeltjes snel kan doen sublimeren, waardoor voorkomen wordt dat dat de korreltjes groeien.” “Sublimatie door de opwarming die ontstaat tijdens botsingen in grote moleculaire wolken kunnen moleculaire waterstofijsbergen ter grootte van ‘Oumuamua vernietigen nog voor zij aan de moleculaire wolk en in het interstellaire medium kunnen ontsnappen,” stelt Loeb.


Wat is het dan?
Maar als ‘Oumuamua geen waterstofijsberg is, wat is het dan wel? Het antwoord op die vraag moeten Loeb en collega’s ons ook schuldig blijven. “Dit object is mysterieus en moeilijk te begrijpen, omdat het bijzondere eigenschappen heeft die we niet terugzien bij kometen en planetoïden in ons zonnestelsel,” aldus Hoang.

Toch zijn de onderzoekers optimistisch dat het mysterie op termijn kan worden opgelost. En wel dankzij andere interstellaire bezoekers. Hoewel we nu nog maar enkele van deze interstellaire objecten hebben gespot, verwachten onderzoekers er in de nabije toekomst met behulp van het Vera C. Rubin Observatory elke maand wel eentje te spotten. En daar moeten toch ook exemplaren tussenzitten die bereid zijn hun geheimen – en die van hun soortgenoten – prijs te geven? “We wachten af wat we gaan ontdekken,” aldus Loeb.