De taxuskever, de Ambrosiaplant, de geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft, de buxusmot, de grote waternavel en de tijgermug. Zomaar wat namen van organismen die ons behoorlijk wat problemen kunnen bezorgen. Waar de één onze prachtige groene border vol strak gesnoeide buxusbollen omtovert in een dorre boel met wat armetierig opstaande takjes, overwoekert de ander het wateroppervlak van onze beken en meren waardoor alles wat in dat water leeft een zekere verstikkingsdood tegemoet gaat.

We noemen ze plaagorganismen, omdat ze ons leven minder aangenaam maken. Vaak plagen ze in enorme groepen, die schijnbaar niet te stoppen zijn. Steeds vaker hebben we last van planten en dieren die vanuit andere plaatsen op de wereld in onze omgeving terecht komen, en zich hier prima kunnen handhaven. Ze worden ook wel exoten genoemd. Vergeleken met sprinkhanenplagen in Afrika, waarbij de complete jaaroogsten in enkele dagen door enorme zwermen fladderende veelvraten werden verorberd, zijn onze problemen met Ambrosiataxuskever en andere exoten peanuts. Toch kunnen planten en beestjes die worden weggerukt uit hun natuurlijke standplaats, waar de omgeving hun aantallen evenwichtig beperkte, in een vreemde omgeving soms leiden tot massale sterfte van organismen van de daar gevestigde orde.

Konijnenplaag
Eén van de bekendste voorbeelden is de introductie van konijnen in Australië, halverwege de negentiende eeuw. Het leek een Britse boer leuk om wat konijnen uit te zetten op zijn farm, zodat er gejaagd kon worden op die schattige langoren. Helaas kon hij niet voorzien wat de gevolgen waren. Een land dat rijk was aan konijnenvoer, en geen enkel Australisch dier dat konijn op zijn menu had staan, dat was vragen om problemen. En dan staan konijnen ook nog eens bekend om hun grote voortplantingsdrift. In no-time vraten de knagers hele gebieden kaal, met als gevolg dat de oogsten van Australische boeren eraan gingen en dat allerlei Australische planteneters de hongerdood stierven. Hekken om verspreiding van de konijnen tegen te gaan hadden geen nut. Het probleem is nog steeds niet opgelost.

Stop de voedselvoorraad
Als een exoot uit wil groeien tot een plaag van enig formaat, zal de soort allereerst een (bijna) onuitputtelijke voedselvoorraad tot zijn beschikking moeten hebben. Ook al is de groep aanvankelijk klein, bij een overvloed aan voedsel dat gemakkelijk toegankelijk is, kan er voldoende energie worden opgenomen om te groeien en ongeremd te paren met elke soortgenoot die op het vrijerspad komt. Soorten met een korte generatietijd kunnen zo exponentieel groeien en gemakkelijk in enkele weken of maanden uitgroeien tot populaties van ongelooflijke proporties. Daarbij is het prettig, als het voedsel dat bovenaan de dieetvoorkeuren van het plaagorganisme staat, zonder al te veel moeite kan worden gevonden en bereikt. Een tuin met lekker veel buxusbollen naast elkaar biedt dit voordeel bijvoorbeeld, net als kilometerslange akkers met hetzelfde gewas, zonder onderbrekingen van onkruiden die vies, giftig of moeilijk te passeren zijn.

Introduceer predatoren
Tweede voorwaarde om als exoot enigszins op te vallen, is de afwezigheid van predatoren. In ecosystemen die in evenwicht zijn, zal een snelle groei van een bepaalde soort ook een aantrekkende werking hebben op de vijanden van die soort. Neem nu het grasveld in onze achtertuin (ik zou het graag gazon noemen, maar daarvoor is het niet strak genoeg, niet groen genoeg en groeit er teveel mos tussen het gras). Dit veld is al jaren een broedplaats voor de larven van rozenkevers (en dat terwijl er in onze tuin geen roos te vinden is!). In mei komen deze kevers boven de grond en zweven dan in grote aantallen vlak boven het gras. Het eerste jaar dat ik ze ontdekte vond ik ze wel leuk, met dat mooie metaalgroene stukje schild tussen bruine kop en vleugels, maar lekker op het gras liggen was er al gauw niet meer bij met al die kriebelige kevers die overal tegenaan vliegen. Gelukkig neemt elk jaar in mei ook de hoeveelheid vogels in onze tuin toe. Merels, kauwen en eksters lijken via een sociaal netwerk van elkaar door te krijgen dat er een feestmaal op ze ligt te wachten. In korte tijd maken ze een einde aan het irritant blije gedans van de rozenkevers, van wie de half opgegeten lijken achterblijven op het tuinpad.

De rozenkever. Bovenaan dit artikel staat een foto van een tijgermug.

Rozenkevers krijgen dus in onze tuin niet de kans om uit te groeien tot een echte plaag. Dat kan alleen gebeuren als er onvoldoende vijanden in de buurt zijn om de snelle populatiegroei in toom te houden. Aan die voorwaarde wordt vaak voldaan wanneer een dier of plant wordt geïntroduceerd in een omgeving waar het van nature niet voorkomt. In sommige gevallen ontstaan door aanpassingen aan bestaande soorten nieuwe vijanden in het gebied en is er weer sprake van evenwicht in het ecosysteem, maar dit laat vaak lang op zich wachten en dan is veel kwaad al geschied. Daarbij evolueren de exoten vrolijk mee om de veranderende omgeving steeds een stapje voor te blijven.

Eigen schuld, dikke bult?
Hoewel we steeds vaker last krijgen van exoten, zijn wij zelf vaak degenen die het organismen mogelijk maken om uit te groeien tot een plaag. Door monoculturen in de landbouw, zetten we telkens weer een absurd groot all-you-can-eat buffet voor rupsen, kevers en luizen. Door het transport van goederen en mensen liften zaden, eitjes, larven of diertjes mee en komen terecht in een omgeving waar ze geen natuurlijke vijand kennen en waar ziekteverwekkers niet gespecialiseerd zijn om hun te besmetten. Een kwestie van “eigen schuld, dikke (tijgermuggen-)bult”, of een uitnodiging om eens goed na te denken over de manier waarop we nu bezig zijn?

Want als je het goed bekijkt, is er één plaagorganisme dat wellicht nog invasiever is dan alle hiervoor genoemde soorten. Het komt inmiddels voor in bijna alle uithoeken van de wereld. Het vindt altijd wel iets om te eten, plundert zijn omgeving, concurreert met veel andere soorten om voedsel en vooral om ruimte. Door het toedoen van deze soort sterven vele andere soorten in rap tempo uit. Hoewel er van tijd tot tijd ziektes uitbreken die de populatie enigszins doen krimpen, komt de soort de epidemieën steeds te boven en blijft de populatie met schrikbarende snelheid groeien. Maar zoals met alle plagen, kan een zo snelle groei niet blijven duren. Als de draagkracht van het systeem waarin de plaag woedt overschreden wordt, is de situatie niet langer houdbaar. Door een onoverkomelijk tekort aan voedsel of andere hulpbronnen, een moordende onderlinge concurrentie of het uitbreken van een nieuwe, onbekende ziekte zal de populatie uiteindelijk in zeer korte tijd sterk krimpen of misschien wel helemaal verdwijnen.

Voor ons mensen is het te hopen dat dat nog even duurt, of misschien wordt het tijd om eens na te denken hoe we onszelf als plaag kunnen stoppen…

Over Noor
Noor Fiers is docent biologie en NLT op een middelbare school in Brabant en nu dus ook een beetje een tv-ster. Ze is gek op sciencefiction, spannende boeken en boeken over wetenschap. Ze raakt niet uitgepraat over biologie en onderwijs en twittert daar ook graag over. Naast elektronisch gekwetter is ze graag buiten om naar de tweets van echte vogels te luisteren en te genieten van de wondermooie wereld om ons heen. Lees ook eerdere artikelen en blogs van haar op Scientias.nl.