Verschillende heel intelligente mensen denken van wel. Maar hebben ze gelijk?

Wanneer je op een mooie zondag een wandeling door het bos maakt, lijkt alles levensecht. Je voelt de wind door je haren waaien, de blaadjes ritselen aan de bomen en een typische boslucht dringt je neus binnen. Maar wat nu als de wereld om ons heen niet echt is? Wat als het niet meer is dan een simulatie en we allemaal in een computer leven? Het lijkt een waanzinnig idee (waar je misschien niet eens te lang over na moet denken om te voorkomen dat je waanzinnig wordt). Het lijkt ook voer voor sciencefiction-series (en dat is het ook). En toch zijn er wetenschappers en andere gerespecteerde individuen – zoals Elon Musk – die hier serieus over nadenken. En niet uitsluiten dat we werkelijk in een simulatie zitten.

Bostrom
Al heel lang breken mensen zich het hoofd over de vraag of de wereld waarin wij leven – en of wij – echt bestaan. De hele discussie werd begin deze eeuw echter flink aangezwengeld – en misschien ook wel naar een hoger plan getild – toen filosoof Nick Bostrom een paper schreef met de veelzeggende titel ‘Are you living in a computer simulation?‘. Bostrom beantwoordt die prangende vraag niet, maar formuleert in zijn paper drie proposities waarvan er minimaal eentje waar moet zijn:
1) we leven in een computersimulatie (die dan het werk zou zijn van een zeer geavanceerde beschaving)
2) elke beschaving is gedoemd om te verdwijnen vóór deze het punt bereikt waarop deze in staat is om wat Bostrom een ‘voorouderlijke simulatie’ noemt, te creëren. Die ‘voorouderlijke simulatie’ is een computersimulatie die een geavanceerde beschaving kan creëren van zijn eigen geschiedenis (of variaties daarvan). De gesimuleerde deelnemers in deze simulaties hebben bewustzijn.
3) beschavingen houden lang genoeg stand om zo’n ‘voorouderlijke simulatie’ te kunnen maken, maar hebben daar simpelweg geen zin in.
Als de tweede bewering klopt, zijn de eerste en derde automatisch onjuist. Als we in een simulatie leven, kunnen bewering twee en drie het raam uit. En als bewering drie klopt, zijn één en twee onwaar. Het grote probleem is echter dat we op dit moment niet kunnen beoordelen welke bewering klopt. En dus kan Bostrom op basis van zijn prachtige paper nog niet vaststellen of we al dan niet in een simulatie leven.

“Of we zijn in staat om simulaties te creëren die niet van echt te onderscheiden zijn of de beschaving stopt te bestaan”
Elon Musk durfde daar – duidelijk geïnspireerd door Bostrom – wel een wat duidelijkere conclusie over te trekken. In 2016 stelde hij dat de kans dat we niet in een simulatie leven, één op miljarden is. Het belangrijkste argument daarvoor is – volgens hem – de huidige, razendsnelle ontwikkeling van videospelletjes. Een paar decennia geleden moesten we het nog doen met Pong: een spel dat feitelijk bestaat uit een paar lijntjes en een balletje. Maar inmiddels is dat heel anders: er zijn nu levensechte videogames die we met duizenden mensen tegelijkertijd kunnen spelen en waar we – dankzij virtual reality – zelfs helemaal in op kunnen gaan. We stevenen dan ook razendsnel af op de ontwikkeling van spellen (eigenlijk niets anders dan simulaties) die eigenlijk niet meer van de ‘echte wereld’ te onderscheiden zijn en bovendien op vrijwel elk apparaat te spelen zijn. Het lijkt niet vergezocht dat er bijvoorbeeld over 10.000 jaar miljarden van dat soort apparaten zijn waarop misschien wel meerdere simulaties draaien. In dat scenario wordt het langzaam maar zeker aannemelijker dat je als individu in zo’n simulatie zit dan dat je in de ‘echte wereld’ leeft. Maar, zul je denken, dat is toekomstmuziek. Maar Musk denkt dus van niet. Volgens hem valt niet uit te sluiten dat wij nu reeds in de simulatie van een geavanceerdere beschaving zitten. Sterker nog: hij hoopt dat het zo is. Want (kijk nog eens even naar de drie proposities van Bostrom) als wij niet in een simulatie leven, zou dat betekenen dat er een gerede kans is dat beschavingen niet lang genoeg stand houden om zo’n simulatie te creëren. “Dus of we zijn in staat om simulaties te creëren die niet van echt te onderscheiden zijn of de beschaving stopt te bestaan.”

Op jacht naar afwijkingen
Het roept natuurlijk een interessante vraag op. Want is het überhaupt mogelijk om vast te stellen of wij in een simulatie leven? Sommige mensen denken van wel. Een veelgehoord argument is dat we moeten blijven zoeken naar ‘foutmeldingen’: afwijkingen in het computerprogramma waar wij deel van uit zouden maken. Bostrom ziet daar zelf echter weinig in. “Het lijkt aannemelijk dat de hypothetische simulators – die duidelijk technologisch gezien extreem geavanceerd moeten zijn, willen ze in staat zijn om simulaties te creëren met daarin bewuste deelnemers – ook kunnen voorkomen dat deze gesimuleerde wezens afwijkingen in de simulatie opmerken,” zo schrijft hij op zijn website. Dat zouden deze simulators op drie manieren kunnen doen: door simpelweg te voorkomen dat er afwijkingen in de simulatie ontstaan óf door te voorkomen dat wij ze kunnen opmerken óf door deelnemers die afwijkingen opmerken te ‘bewerken’, waardoor zij het snel weer vergeten. “Als de simulators niet willen dat wij weten dat we gesimuleerd zijn, kunnen ze gemakkelijk voorkomen dat we daarachter komen,” zo is de overtuiging van Bostrom. En wie denkt dat hij te slim is om zich door een simulator te laten bedotten, moet misschien eens denken aan die nachtmerrie van laatst. “Bedenk dat zelfs onze bescheiden hersenen – zonder enige hulp van technologie – er doorgaans in slagen om te voorkomen dat we ons realiseren dat we dromen, zelfs al wemelen dromen doorgaans van de fantastische anomalieën.”

“Op het moment dat we onze eigen simulaties met daarin bewuste deelnemers gaan creëren, weten we het bijna zeker: we leven zelf in een simulatie”

Is het dan onmogelijk om te achterhalen of we in een simulatie leven? Zover wil Bostrom ook weer niet gaan. Misschien komt er wel een dag waarop we allemaal een pop-up te zien krijgen met daarop de boodschap dat we in een simulatie zitten. Of misschien worden we ooit uit de simulatie, zo – hup – in de werkelijkheid getild. Een andere mogelijkheid is dat we op termijn onze eigen simulaties met daarin bewuste deelnemers gaan creëren. Dat zou – weer even teruggrijpend op de drie proposities van Bostrom – een aanwijzing kunnen zijn dat de tweede en derde propositie onjuist zijn. En dan blijft alleen de eerste propositie over.

We zijn misschien wel niet te simuleren
Het komt er in feite dus op neer dat we moeten gaan zitten wachten tot de vermeende simulators toestaan dat de schellen van onze ogen vallen óf we zelf in staat zijn tot geavanceerde simulaties. Toch? Even leek er vorig jaar hoop te zijn op een andere uitkomst. Wetenschappers leken geheel per ongeluk namelijk op bewijs te stuiten dat we niet in een simulatie leven. Het is een vrij ingewikkeld verhaal dat je terug kunt vinden in het blad Science Advances, maar kort gezegd komt het erop neer dat de onderzoekers aantonen dat het onmogelijk is om met de computers die wij hebben bepaalde quantummechanische problemen te simuleren. Laat staan dat het mogelijk is om het complete universum zoals wij dat kennen te simuleren. En daarmee lijkt het weinig aannemelijk dat we in een simulatie zitten, zo jubelden verschillende media. Maar al snel bleek dat ze te vroeg juichten. Ze gingen er in hun overhaaste conclusies immers vanuit dat een eventuele geavanceerde simulator gedoemd is tot het werken met computers die op dezelfde principes gestoeld zijn als de onze. En hoe aannemelijk is dat? En dus waren we weer terug bij af.

Wanneer stopt het?

Stel dat we in een simulatie zitten. Dan lopen we het risico dat de simulators er een keertje de stekker uittrekken. Wanneer? Onderzoeker Peter Jenkins schreef in 2006 te vermoeden dat de simulators willen voorkomen dat er simulaties in simulaties ontstaan en er daarom voor zullen kiezen om de simulaties te eindigen wanneer deze op het punt in de geschiedenis komen dat de technologie om deze simulaties te vervaardigen, beschikbaar kwam. Naar schatting gebeurt dat rond 2050. “Plannen maken voor na dit jaar is dan ook zinloos.”

Zo blijft de simulatie-hypothese de gemoederen bezighouden en een overtuigende conclusie lijkt niet nabij. Wat ons bij de volgende vraag brengt: maakt het uit of we in een simulatie leven of niet? Bostrom denkt dat dat allemaal wel meevalt. Hij benadrukt dat we – als we in een simulatie leven – niet zomaar moeten concluderen dat de wereld om ons heen niet echt is. Het is volgens hem accurater om te zeggen dat de werkelijkheid iets anders van aard is. “Je neus is nog steeds echt, alleen de werkelijkheid bestaat eruit dat deze gesimuleerd wordt op een krachtige computer,” zo schrijft Bostrom in het boek ‘More Matrix and Philosophy: Revolutions and Reloaded Decoded‘. Ook de grote vraagstukken die velen bezighouden, zouden in een simulatie blijven bestaan, net als de behoefte aan wetenschappers. Want is het wanneer we meer over onze simulatie en simulators te weten willen komen niet het beste om onderzoek te doen naar de wereld om ons heen? “In andere woorden: we zouden de wetenschappelijke methode en ons gezond verstand op dezelfde manier toepassen.” Zelfs voor religie zou een plaats zijn in de simulatie. Zo is het niet ondenkbaar dat er een hiernamaals is, dat bestaat uit een andere simulatie (of de werkelijkheid) en wie zegt dat de simulators ons niet aan een soort moraal houden en ons bovendien continu in de gaten houden? Bovendien is Bostrom er – net als Musk – van overtuigd dat een leven in een simulatie wel eens het beste kan zijn wat ons is overkomen. Simpelweg, omdat het zou betekenen dat de beschaving niet gedoemd is om vóór we in staat zijn tot het produceren van zulke ingewikkelde simulaties, uit te sterven.

Het werk van Bostrom en collega’s is fascinerend en misschien wel gekmakend tegelijkertijd. Het zou je ook zomaar aan het denken kunnen zetten: zou een geavanceerde beschaving dit vraagstuk in de simulatie gegooid hebben om ons nog een paar decennia bezig te houden?