Als we ons enkel richten op het terugdringen van onze uitstoot waarschijnlijk wel, zo suggereert een nieuw onderzoek. Maar niet iedereen is daarvan overtuigd.

Met behulp van vereenvoudigde modellen tonen Noorse onderzoekers aan dat de temperatuur zelfs als we erin slagen onze uitstoot vanaf 2030 terug te dringen, nog jaren zal blijven stijgen. Zo zou de temperatuur wanneer onze uitstoot rond 2030 piekt en rond 2100 tot nul is afgenomen in het jaar 2500 alsnog zo’n 3 graden Celsius hoger liggen den in 1850. En de zeespiegel ligt in dat scenario in datzelfde jaar zo’n 3 meter hoger.

Permafrost en zee-ijs
Het is volgens de onderzoekers te herleiden naar het feit dat zelfs een sterke afname van de uitstoot het Arctisch zee-ijs en permafrost niet meer redden kan. Het gevolg is dat het Arctisch zee-ijs smelt, waardoor de ondergelegen donkere oceaan bloot komt te liggen. En waar zee-ijs zonlicht en -warmte reflecteert, neemt die oceaan het juist op, waardoor de opwarming versterkt wordt. En ook het smeltende permafrost leidt tot extra opwarming, doordat het broeikasgassen – zoals CO2, maar ook methaan – vrijgeeft. “Wij zeggen dat de toendra (bevroren grond in het noorden) de komende 500 jaar zal blijven smelten, ongeacht hoe snel de mensheid de uitstoot van broeikasgassen terugdringt,” vertelt onderzoeker Jorgen Randers.


Dat blijkt ook wel uit de simulaties waarin de onderzoekers uitgaan van een duidelijk onhaalbaar scenario waarin we onze uitstoot dit jaar nog naar nul brengen. Ook dan zal de temperatuur volgens de modellen – nadat deze in eerste instantie wel afneemt – uiteindelijk toch weer gaan toenemen om vervolgens rond het jaar 2500 ook 3 graden Celsius hoger uit te komen dan in 1850.

Tijdmachine
Wie enkel door het terugdringen van de uitstoot de smelt van Arctisch zee-ijs en permafrost en dus een temperatuurstijging van drie graden Celsius wil voorkomen, heeft een tijdmachine nodig, zo stellen de onderzoekers verder. Want in dat geval had onze uitstoot in 1960 of 1970 al tot nul gereduceerd moeten zijn.

Parijse klimaatdoelen
Zijn de Parijse klimaatdoelen – de opwarming deze eeuw beperken tot 2 of bij voorkeur 1,5 graad Celsius – dan bij voorbaat al onhaalbaar? Dat niet, zo benadrukt Randers in gesprek met Scientias.nl. “De wereldwijde opwarming zou vanaf nu tot 2100 onder de 2 graden Celsius blijven als de mensheid tegen 2050 stopt met het gebruik van kolen, olie en gas. om de opwarming op langere termijn onder de 2 graden Celsius te houden, zijn aanvullende, krachtige maatregelen nodig.” Om te voorkomen dat de gemiddelde temperatuur en zeespiegel ook nadat we onze uitstoot naar nul hebben teruggebracht blijft stijgen, moeten we ons volgens Randers en collega’s richten op het verwijderen van CO2 uit de atmosfeer. Volgens hun berekeningen zou er vanaf 2020 elk jaar zo’n 33 gigaton CO2 uit de atmosfeer moeten worden gehaald om te voorkomen dat de temperaturen door blijven stijgen. “Dat is mogelijk, maar wel kostbaar,” stelt Randers.


Haaks op het IPCC
Het is nogal een somber beeld, dat bovendien haaks staat op de meest recente klimaatsimulaties van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) dat juist laat zien dat als we onze uitstoot per direct een halt toeroepen de temperatuur nauwelijks nog doorstijgt. En waaruit blijkt dat als we onze uitstoot terugdringen volgens het Parijse klimaatakkoord, het klimaat de komende eeuw stabiliseert. In beide scenario’s zouden sommige gevolgen van klimaatverandering – zoals het smelten van ijs en stijgen van de zeespiegel – weliswaar nog iets langer doorgaan, maar in een veel lager tempo.

Te simpel model
Hoe kunnen de simulaties van Randers zo anders uitpakken dan die van het IPCC? Het is volgens James Renwick, professor aan de Victoria University of Wellington, niet betrokken bij de studie en hoofdauteur van het eerstvolgende klimaatrapport van het IPCC, te herleiden naar de modellen die Randers en collega’s gebruikt hebben. “Het paper is gebaseerd op een model met een lage complexiteit dat enkel de algemene eigenschappen van het klimaatsysteem herbergt,” zo vertelt hij. “Het klimaat warmt volgens dit model in de toekomst op, omdat het albedo (de fractie van het zonlicht dat door de aarde gereflecteerd wordt) afneemt naarmate er meer ijs smelt, en permafrost ontdooit, waardoor er CO2 en methaan vrijkomt. Zowel het verlies van ijs als het ontdooien van permafrost zijn bekende factoren waarvan we weten dat ze klimaatverandering versterken, maar niet zo dramatisch als hier wordt verondersteld. Het ESCIMO-model (dat Randers en collega’s gebruiken, red.) heeft de neiging om een uit de hand gelopen klimaat te simuleren, omdat het het opwarmende effect van smeltend ijs en broeikasgassen die vrijkomen uit permafrost overschat.”

Vervolgonderzoek
Randers erkent de tekortkomingen van het model. Zo moedigt hij andere wetenschappers aan om na te gaan of het fenomeen dat hij in zijn model ziet – permafrost dat ook nadat onze uitstoot gereduceerd is, blijft afsmelten – ook in veel grotere en complexere modellen opduikt. Renwick verwacht daar weinig van. “De resultaten die in dit onderzoek gepresenteerd worden, zijn niet plausibel en moeten niet gezien worden als reden tot zorg.”

Dat wil overigens niet zeggen dat je je over de verandering van het klimaat geen zorgen hoeft te maken. Dat blijft namelijk ook zonder de sterk uit de hand lopende processen die Randers beschrijft, een uitdaging die zo snel mogelijk moet worden opgepakt en zelfs als landen wereldwijd erin slagen de uitstoot terug te dringen weer nieuwe uitdagingen met zich mee zal brengen. “Effectieve klimaatmaatregelen door de wereldwijde gemeenschap in de lijn van (…) het Parijse klimaatakkoord zouden de opwarming tot ergens tussen 1,5 en 2 graden kunnen beperken. Dat zou nog steeds leiden tot weer- en klimaatextremen die een significante impact hebben op samenlevingen wereldwijd, maar er zijn geen aanwijzingen dat de klimaatverandering dan uit de hand loopt.”

Er valt dus nog steeds veel te redden. Maar enige haast is wel geboden. Want hoe langer we wachten, hoe lastiger het wordt om de opwarming te beperken, zo blijkt uit recent onderzoek.