Trouwen gaat tegenwoordig anders dan in de 17e eeuw. Maar als het om huwelijksregels en -normen gaat, is er verrassend weinig veranderd.

Tot die conclusie komen hoogleraar sociale en economische geschiedenis Tine De Moor (Universiteit Utrecht) en René van Weeren (onderzoeker gespecialiseerd in paleografie en genealogie aan dezelfde universiteit) nadat ze met een legertje van 500 vrijwilligers (zie kader) onderzoek hebben gedaan naar de handgeschreven ondertrouwregisters van het Stadsarchief Amsterdam (1580-1810). Hun bevindingen zijn terug te lezen in het onlangs verschenen boek ‘Ja, ik wil‘.

500 burgerwetenschappers hielpen mee
Om de ondertrouwaktes te digitaliseren zetten Tine De Moor en René van Weeren in het kader van het Citizen Science Project maar liefst 500 vrijwillige ‘burgerwetenschappers’ in. Zij hadden zo’n twee jaar nodig voor het ontcijferen van de gegevens van ruim 92.000 Amsterdamse trouwlustigen uit de oorspronkelijke akten, die ze vervolgens dubbel invoerden en controleerden. “Wij waren heel blij met ze,” vertelt De Moor. “Via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) zou dit niet te betalen zijn geweest: daar zijn gewoon geen budgetten voor. Zonder de burgerwetenschappers was dit project niet mogelijk geweest”. Vrijwilligers kregen les in paleografie in zogenaamde paleo-cafés en de meest actieve vrijwilligers deelden hun ervaringen ook via een Whatsappgroep. Leuk om te weten is dat de hoogleraar het belangrijk vindt om de vrijwilligers te bedanken voor hun bijdragen. Daarvoor werd gebruik gemaakt van het puntensysteem van het Vele Handen-platform. De vrijwilligers kregen drie punten voor het invoeren van een akte, en nog eens drie punten als de ingevoerde gegevens gecontroleerd waren. Die punten konden ze omruilen voor boeken. Dat gebeurde echter lang niet zo vaak als verwacht. “Het bleek dat aan een groot aantal punten een status verbonden was. De vrijwilligers waren heel erg trots op wat ze deden. Als je punten inleverde, leverde je ook een stukje van je status in. Ons bleek dat de vrijwilligers liever dan boeken aanschaffen ons onderzoekers wilden leren kennen. Toen we lezingen en rondleidingen voor ze gingen organiseren, waren ze razend enthousiast.”

Veranderingen
Hoewel de huwelijksregels en -normen de tand des tijds aardig hebben doorstaan, zijn er natuurlijk wel een paar dingen veranderd. De Moor vertelt: “Twee grote wijzigingen op het punt van huwelijksregels en –normen zijn de afschaffing van de status van het kerkelijk huwelijk als geldig burgerlijk huwelijk in 1796 en de invoering van het homohuwelijk in 2001. En de ondertrouw – waarbij een paar bij kerk en later gemeente aangaf te willen gaan trouwen – is per 1 september 2015 komen te vervallen”. Sommige voorschriften zijn tot nu toe van kracht: er zijn nog steeds minimaal twee getuigen nodig voor een geldig huwelijk en huwelijken tussen al te nauwe verwanten zijn nog steeds niet toegestaan.


Interessante info vaak in de kantlijn
Waarom speelt het onderzoek van De Moor en Van Weeren zich juist in Amsterdam af? De Moor: “Amsterdam was de enige plek waar de schepenen gegevens over bruiden en bruidegoms zo gedetailleerd over zo een lange periode registreerden. De rest van ons land hield die ook al bij maar minder gedetailleerd. Ik wilde niet per se Amsterdam doen: daar is het beeld anders dan in de rest van het land. In Amsterdam woonden – en wonen – bijvoorbeeld veel migranten, die wat later huwen.” Deze ondertrouwaktes waren de moeite van het onderzoek waard omdat zij veel interessante informatie bevatten zoals leeftijd, beroep van de man (genoteerd in de 17e eeuw) en in een enkel geval zelfs de huidkleur van de verloofden, bijvoorbeeld van een stel van wie de man uit het Indiase Goa kwam. Het beroep van de vrouw werd niet genoteerd, ook al hadden vrouwen volgens De Moor in de Lage Landen veel autonomie in hun economische positie. Samen met de 500 vrijwilligers werd de informatie uit duizenden ondertrouwakten volledig gedigitaliseerd.

De huwelijksportretten van Marten Soolmans en Oopjen Coppit, van de hand van Rembrandt van Rijn. Soolmans en Coppit trouwden in 1633. Coppit kreeg 35.000 gulden mee als bruidsschat. Afbeelding: Rijksmuseum Amsterdam (via Wikimedia Commons).

Samenwonen
Ook in de praktijk van het dagelijkse leven is er door de eeuwen heen niet zo veel veranderd in het trouwen in Amsterdam. Bijzonder is dat twintig tot veertig procent van de paren al voor het huwelijk samenleefde. Seks voor het huwelijk was niet ongebruikelijk en menig bruid trad zwanger in het huwelijk. Het leeftijdsverschil tussen de verloofden was bij een eerste huwelijk net als nu klein: gemiddeld tussen de 1 en 1,5 jaar, waarbij de man doorgaans ouder was dan de vrouw. De gemiddelde leeftijd waarop getrouwd werd, lag hoog. Tussen 1700 en 1749 was die voor vrouwen 27,5 jaar. En dat was een heel verschil met Zuid-Europa, waar veel vrouwen al voor hun 25e getrouwd waren. “Amsterdamse vrouwen zijn nog steeds vrij ‘oud’ als zij voor de eerste keer huwen, in vergelijking met het Nederlandse gemiddelde. In 2015 was 33 procent van de Amsterdamse vrouwen tussen de 30 en 35 jaar oud toen zij trouwden. In de rest van Nederland was de leeftijdsgroep 25-30 jaar het meest vertegenwoordigd”, licht De Moor toe. De Amsterdamse mannen volgen net als in de periode 1580-1810 wel de trend van het Nederlandse gemiddelde: zij trouwen doorgaans tussen hun dertigste en vijfendertigste jaar.

Dochters hoefden in Noordwest-Europa niet te trouwen om te kunnen erven. Hierdoor was er ook geen haast om zo snel mogelijk te trouwen.”

Veel ongetrouwde vrouwen
Ook waren er al in voorgaande eeuwen veel ongetrouwden, vooral vrouwen. De Moor vertelt: “Dit huwelijkspatroon is al in de Late Middeleeuwen in West-Europa ontstaan. Dit Europese huwelijkspatroon (European Marriage Pattern, kortweg EMP) werd voor het eerst uitgebreid besproken door de Noorse historisch-demograaf Hajnal. Het Noordwest-Europese huwelijkspatroon was gebaseerd op instemming tussen man en vrouw en niet op een arrangement tussen twee families, zoals in historisch China gebeurde. Daardoor konden man en vrouw een eigen huishouden beginnen op een andere plek dan het ouderlijk huis. Dit verschijnsel heet neolokaliteit. In Noordwest-Europa had de vrouw ook het recht om te erven, waarbij het ook mogelijk was om land aan en via vrouwen over te dragen. Dochters hoefden niet te trouwen om te kunnen erven. Hierdoor was er ook geen haast om zo snel mogelijk te trouwen. Daardoor was de gemiddelde huwelijksleeftijd in West-Europa relatief hoog. In Zuid-Europa kreeg de dochter een deel van de erfenis aan het begin van haar huwelijk in de vorm van een bruidsschat. Als de ouders stierven, hadden de getrouwde dochters geen recht meer op de erfenis. Een derde kenmerk van het Westeuropese huwelijkspatroon was, dat veel vrouwen een plaatsje op de arbeidsmarkt konden veroveren. Vooral de Late Middeleeuwen waren een Gouden Eeuw voor vrouwen die wilden werken. De lonen van vrouwen waren relatief hoog en er werd geïnvesteerd in hun scholing.”


Het bruggetje over de Begijnensloot in Amsterdam. Een tekening uit 1814, van de hand van Pieter Ernst Hendrik Praetorius. Afbeelding: via Wikimedia Commons.

Proveniershuizen en begijnhofjes
Wat in het boek zoal uitgebreid aan de orde komt zijn de proveniershuizen en de begijnhofjes in Amsterdam. Beide verschijnselen vloeien voort uit het hierboven besproken Noordwest-Europese huwelijkspatroon. De proveniershuizen zijn een vorm van commerciële ouderenzorg, niet zo heel verschillend van die van vandaag. Doordat de kinderen vaak niet dicht bij de ouders woonden (de neolokaliteit), moesten bejaarden zelf hun zorg ‘inkopen’, wat je tegenwoordig ook weer veel ziet. “Hoe verder de kinderen van het ouderlijk huis wonen, hoe groter de concentratie aan ouderenzorginstellingen. Voor de minder kapitaalkrachtigen, die niet in de proveniershuizen terecht konden, waren er godshuizen,” vertelt De Moor. De vroegst bekende oudedagsvoorzieningen, zoals oudemannen- en vrouwenhuizen en –hofjes, dateren in de Noordelijke Nederlanden al uit de veertiende eeuw. De begijnhofjes – waarvan er nog een mooie te bezoeken is aan de Gedempte Begijnensloot in Amsterdam – waren vrouwencollectieven bedoeld voor single vrouwen die vooral veiligheid en onderlinge steun zochten, en het religieuze aspect erbij namen. Ze waren niet per definitie bedoeld als oudedagsvoorziening, al kon je er tot je levenseinde blijven wonen. Zuster Anthonia, die op 23 mei 1971 op 84-jarige leeftijd overleed, was de laatste nog in leven zijnde begijn in Amsterdam. De Moor schrijft: “Met haar overlijden kwam een einde aan 425 jaar aantoonbare aanwezigheid van begijnen in Amsterdam. En daarmee ook aan een beweging die tot stand kwam in de Middeleeuwen: groepen van ongehuwde vrouwen die ervoor kozen om samen een leven van religieuze toewijding te leiden, zonder zich daarvoor tot de reguliere orden of kloosters te wenden. Daar moest men onder meer een gelofte van kuisheid en armoede afleggen.”

Stadsbranders en wijnroeiers
In de ondertrouwakten staan soms ook opvallende beroepen die wij nu niet meer kennen. Leuk zijn de stukjes over de stadsbranders, garbuleerders, baleinspouwers en wijnroeiers. Op 24 februari 1690 liet de uit Rotterdam afkomstige wijnroeier Willem Rees, 31 jaar oud, zijn ondertrouw in Amsterdam intekenen in het kerkregister. Zijn verloofde Adriana Sorgh, elf jaar jonger, woonde daar. De voornaamste taak van de wijnroeier was het bepalen van de hoeveelheid aanwezige drank per café, pension of andere drinkgelegenheid. Op basis van hun rapportages werd per etablissement de hoogte van de accijnsbelasting vastgesteld. Er zijn ook bekende wijnroeiers, zoals de wetenschapper Antoni van Leeuwenhoek die in 1679 door het stadsbestuur van Leiden tot gezworen wijnroeier werd beëdigd. Een wijnroeier moest verstand hebben van wiskunde, gezien de rondheid van de vaten en de mate van gevuldheid.

Wat zeggen huwelijkspatronen?
Het onderzoek naar huwelijkspatronen krijgt de laatste jaren meer aandacht. De Moor licht toe waarom. “Steeds meer historici zijn van mening dat de wijze waarop individuen een huwelijkspartner vinden en een huishouden vormen, een fundamentele invloed kan hebben op onder meer sociaal-economische ontwikkelingen binnen de betreffende regio. Een voorbeeld is de relatie tussen gezinsverhoudingen, opleiding en arbeidsmarkt: in een samenleving waarin binnen gezinnen meer democratische verhoudingen gelden, zal de investering in opvoeding en opleiding van zowel zonen als dochters meer gelijkwaardig zijn. Daardoor hebben vrouwen betere kansen op de arbeidsmarkt en zal ook de omvang van de hele potentiële beroepsbevolking toenemen. Dit grotere aanbod van mogelijke arbeidskrachten maakt dat het loon van opgeleide arbeidskrachten daalt, waardoor de economie zich verder kan ontwikkelen. In de vroegmoderne tijd was dit een van de beslissende factoren in de aanloop naar de Industriële Revolutie.”

Christa van der Hoff heeft Italiaanse taal- en letterkunde gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Leiden (1986) en heeft het grootste deel van haar 30-jarige loopbaan in de dagbladjournalistiek gewerkt (Haagsche Courant, Algemeen Dagblad). Ze heeft een brede maatschappelijke belangstelling en beeldend schrijven is haar passie. Voor Scientias.nl schrijft ze verhalen over onder meer talen en culturen, (kunst)geschiedenis, culinaire geschiedenis en sociaal-economische onderwerpen.