De nationaalsocialisten deden in de Tweede Wereldoorlog de muziek van de vijand in de ban. Jazzconcerten en jazzplaten waren in Duitsland en het bezette Nederland verboden. De nazi’s waren niet de enigen die bezwaar maakten tegen jazz.

In 1917 trok James Reese Europe, een uit New York afkomstige pianist en orkestleider, met zijn ‘369th infantery band’ langs de Amerikaanse troepen die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Europa gelegerd waren. Naast de gebruikelijke marsen speelden ze nieuwe muziek: ‘rags’ en ‘blues’. Dankzij zulke Amerikaanse legerorkesten, die opzwepende namen droegen als ‘Hell fighters’ en ‘Black devils’, maakte Europa tijdens de oorlog voor het eerst kennis met jazz.

Jazzband van Amerikaanse soldaten gelegerd in Camp Upton bij New York tijdens de Eerste Wereldoorlog. Europa maakte kennis met jazz via Amerikaanse legerorkesten. Library of Congress.

Jazzband van Amerikaanse soldaten gelegerd in Camp Upton bij New York tijdens de Eerste Wereldoorlog. Europa maakte kennis met jazz via Amerikaanse legerorkesten. Library of Congress.

Deze ritmisch vernieuwende muziek sloeg enorm aan bij de serieuze culturele avant-garde, maar vooral bij de jeugd en het uitgaanspubliek. Het was anders, het was modern en er hoorden opwindende dansen bij. In de jaren twintig ontstond een heuse dansrage. Ragtimes, jitterbugs en charlestons waren ongekend populair. In de jaren dertig kwam daar de swing bij, met big bands onder charismatische orkestleiders die toegankelijke jazz speelden waar je ook op kon dansen, waardoor er voor het eerst een massapubliek voor deze muziek ontstond. De grotere verspreiding van de radio en de platenspeler maakte dat mede mogelijk. Swing was de popmuziek van die tijd en Nat Gonella (Engeland), Benny Goodman (Verenigde Staten), Teddy Stauffer (Zwitserland), de Ramblers (Nederland) en Stan Brenders (België) waren echte idolen.

Bandeloos
Jazz- en swing waren zeer populair, maar veroorzaakten ook de nodige maatschappelijke onrust. Jazzmuziek en -dansen kregen fanatieke critici. Net als in veel andere Europese landen domineerden in Nederland ethische verontwaardiging en angst voor moreel verval in de jazzkritiek. De nieuwe muziek werd op één lijn gesteld met zedeloosheid en primitivisme en vormde daardoor een bedreiging voor de westerse beschaving.

“Bandeloos, zonder algemene muziekleer, woest en luid. In de overvolle café’s razen zonder ophouden de Jazzbands. De even dierlijk muzikale als bandelooze negers geven – in den letterlijke zin des woords – den toon aan,” zo mopperde componist Willem Pijper bijvoorbeeld. Het bleef niet bij klassieke musici. Geestelijke leiders van protestanten en katholieken, maar ook bij de rode zuil, allemaal verfoeiden ze in het interbellum de komst van de nieuwe ‘Amerikaanse amusementscultuur’ omdat die een gevaar vormde voor de maatschappelijke orde en vooral voor de opgroeiende jeugd.

Dansen op ‘swing’ werd populair in de jaren twintig en dertig. Op de foto twee kennelijk in vervoering verkerende ‘jitterbuggers’ uit 1939. Opinieleiders vreesden dat jazzmuziek de jeugd bandeloos en immoreel maakte. Liever zagen ze jongeren keurig samen zingen of volksdansen.

Dansen op ‘swing’ werd populair in de jaren twintig en dertig. Op de foto twee kennelijk in vervoering verkerende ‘jitterbuggers’ uit 1939. Opinieleiders vreesden dat jazzmuziek de jeugd bandeloos en immoreel maakte. Liever zagen ze jongeren keurig samen zingen of volksdansen.

De gezamenlijke pastoors van de stad Utrecht bijvoorbeeld waarschuwden in 1928 tegen ” de lichtzinnige, ja hartstochtelijke dansmuziek die er op berekend was de danslustigen in een roes van zinnelijkheid te brengen. Waarlijk, wij overdrijven niet met te beweren, dat onze moderne, heidensche dansen een afgrond van zonden zijn. Waar gedanst wordt, daar worden de mannen bedwelmd en vinden de vrouwen hun ondergang; men kan niet op aarde dansen en eens in de hemel vreugde smaken.” Socialisten hekelden het uitgaan in jazzgelegenheden als ongezond. En wat was het meer dan een verslavende verdoving voor afgepeigerde zakenlieden, hersenloos en banaal? De jeugd kon beter gaan volksdansen.

Op verzoek van de Tucht-Unie, een organisatie die zich statutair had verplicht “de tuchteloosheid te bestrijden en het openbare leven te vermooien”, werd in 1930 zelfs een ‘regeerings-commissie inzake het dansvraagstuk’ ingesteld, maar dat had alleen tot gevolg dat in 1933 de drankwet werd aangepast. Voortaan mocht er alleen nog gedanst worden in gelegenheden met een alcoholvergunning, wanneer de burgemeester daar-voor toestemming had verleend. Van echt ingrijpen was evenwel geen sprake.

Ontaard
In Duitsland ging het anders toe. Al heel vroeg na de introductie van deze nieuwe muziek vlak na de Eerste Wereldoorlog, zagen leidende intellectuelen en autoriteiten er niet alleen iets ontregelends in, maar ook iets uitgesproken on-Duits. Al in de jaren twintig, ruim voor de machtsovername van de nationaalsocialisten in 1933, werd jazz er bekritiseerd in nationalistische, politiek-ideologische termen met raciale connotaties. Net als elders in Europa beleefde het establishment de nieuwe muziek als een zedeloos en cultuurondermijnend fenomeen, maar – en daarin schuilt het verschil met andere landen – men zag het toch vooral als een bedreiging voor de eigen nationale identiteit. De korte geschiedenis van Duitsland als eenheidsstaat is wellicht een van de oorzaken voor deze overgevoeligheid.

Tegenover de grandeur van de symfonische traditie en de elegante operettesfeer uit de 19de-eeuwse balzalen ervoer men allerlei moderniseringen op muzikaal gebied als provocerende exercities die van diepe minachting getuigden voor de gevestigde Duitse muziekcultuur. Hieronder vielen atonaliteit en seriële composities in de klassieke muziek, maar ook jazz. Er was sprake van een geborneerd cultuurnationalisme dat alle onbekende muzikale stromingen voorzag van het etiket ‘Undeutsch’.

Zo werd jazzmuziek al in de loop van de jaren twintig bekritiseerd als een product van respectievelijk Anglo-Amerikaanse, negroïde, internationalistische, bolsjewistische en joodse origine. De nationaalsocialisten zetten meteen in 1933 een radicale herinrichting van het muziekleven in gang. Ze konden daarbij gewoon gebruikmaken van het arsenaal aan karikaturen van jazzmuziek en jazzmusici dat al jaren veelvuldig in boeken, kranten en vaktijd- schriften terugkeerde, zoals on-Duits en ontaard: zonder Duitse wortels. Deze stereotiepen lopen parallel aan de adjectieven en vijandbeelden uit de nationaalsocialistische rassenleer waarmee Adolf Hitler en zijn NSDAP-regering hun politieke beleid in het algemeen legitimeerden.

Jazz kreeg in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog een gemengde ontvangst. Net als in de rest van Europa sloeg de nieuwe muziek aan. Duke Ellingtons revue ‘Chocolate Kiddies’ wekte in Berlijn in 1925 een sensatie (op de foto twee medewerkers van de geheel zwarte cast). Maar de culturele elite en later de nationaalsocialisten wezen jazz af als onbeschaafd en on-Duits. De Jodenster op de jas van de zwarte saxofonist geeft dit weer, op de poster voor de nazi-tentoonstelling over  ‘Ontaarde muziek’ in 1938. Deze racistische beeldtaal is overigens een echo van de grappig bedoelde omslagen waarmee bladmuziekuitgevers vanaf ca 1895 probeerden hun ragtime-liedjes te verkopen. Hier afgebeeld is die van de Chili-Sauce Rag (1910).

Jazz kreeg in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog een gemengde ontvangst. Net als in de rest van Europa sloeg de nieuwe muziek aan. Duke Ellingtons revue ‘Chocolate Kiddies’ wekte in Berlijn in 1925 een sensatie (op de foto twee medewerkers van de geheel zwarte cast). Maar de culturele elite en later de nationaalsocialisten wezen jazz af als onbeschaafd en on-Duits. De Jodenster op de jas van de zwarte saxofonist geeft dit weer, op de poster voor de nazi-tentoonstelling over ‘Ontaarde muziek’ in 1938. Deze racistische beeldtaal is overigens een echo van de grappig bedoelde omslagen waarmee bladmuziekuitgevers vanaf ca 1895 probeerden hun ragtime-liedjes te verkopen. Hier afgebeeld is die van de Chili-Sauce Rag (1910).

Goebbels
Het centrale orgaan voor het nieuwe Duitse muziekleven werd in maart 1933 het Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda, dat onder leiding kwam te staan van Reichspropagandaleiter Joseph Goebbels. Hetzelfde jaar nog kwam er een Reichskulturkammer. Alle ‘kulturschaffenden’ waren verplicht lid te worden. Mensen die werkzaam waren in de muziekbranche, moesten zich aanmelden bij de Reichsmusikkammer (RMK); musici die weigerden, mochten hun beroep niet langer uitoefenen.

De nazi’s hadden het op Joodse componisten en musici gemunt, maar ook op jazz. Al eerder hadden plaatselijke NSDAP-bestuurders live-jazzuitvoeringen verboden, maar na de oprichting van de RMK werd de bestrijding van jazz een rijksaangelegenheid, aangestuurd vanuit het Berlijnse hoofdkantoor. Goebbels koos voor een pragmatische benadering. In plaats van een algemeen wettelijk verbod, dat veel oppositie zou uitlokken en bovendien moeilijk exact te formuleren was, gaf de RMK er de voorkeur aan om afzonderlijke composities, grammofoonplaten en partituren ongewenst te verklaren en verbood ze het werk van individuele musici en componisten op grond van hun niet-arische afstamming.

Het lukt niet de jazz tot zwijgen te brengen

Maar Goebbels had wel een probleem: de mogelijkheden tot controle waren beperkt wegens gebrek aan personeel en middelen. De afdeling die hiervoor in 1937 werd opgericht, de Reichsmusikprüfstelle (RMPS), moest alle nieuwe bladmuziek en grammofoonplaten keuren. Wat de RMPS als ongewenst bestempelde, mocht niet meer verhandeld worden. Met enige regelmaat werden lijsten met ‘unerwünschte und schädliche Musik’ gepubliceerd. Hierop stonden altijd Joodse liedjes, maar ook jazz en swing. Controleurs gingen ter plekke na of de lijsten nageleefd werden. Het enorme aantal dansgelegenheden en concertzalen (alleen al in Berlijn waren er meer dan tienduizend, waarvan het grootste deel een muziekprogramma had) en de vloed van nieuwe muziekpublicaties (in 1936 verschenen 6165 nieuwe bladmuziekuitgaven) maakten de controle echter tot een onmogelijke opgave.

De lijsten gaven bovendien weinig houvast voor de doorgaans ongetrainde ambtenaren. Op zo’n overzicht uit 1940 bijvoorbeeld staan elf buitenlandse composities, meestal omschreven als ‘Entartete Musik’ of ‘Negroide Musik im Hotstil’. Op een toegevoegd supplement staan nog eens acht grammofoonplaattitels, waaronder Shadrack, uitgevoerd door het orkest van Teddy Stauffer. Dit was volgens de toelichting ‘overdreven opzwepende muziek die niet past bij het gevoel van het Duitse volk’. Duke Ellingtons ‘oosters’ aandoende Caravan in de versie van de zwarte zanggroep The Mills Brothers was om dezelfde reden afgekeurd, maar ook nog vanwege deze specifieke uitvoering. Diskwalificaties genoeg. Maar hoe al die muziek klonk? Een knappe ambtenaar die met zo’n index op stap was en uit het hoofd al deze nummers kon herkennen. Het lukte dan ook niet de jazz tot zwijgen te brengen. De radio bleef het uitzenden via buitenlandse zenders, maar ook legaal met Duitse ‘ersatz swing’; grammofoonplatenindustrie en concerten bleven doorgaan.

ontaarde-muziek‘Deutschfeindlich’
Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kwam er een nieuwe reden voor de nationaalsocialisten om jazz te bestrijden. Naast de reeds bestaande racistische, ideologische en ethische beweegredenen kwam er een politiek motief. Jazz gold nu vooral als ‘Deutschfeindlich’: het was ‘Feindmusik’, muziek van de vijand. Vanaf 2 september 1939 stelde Goebbels de mogelijkheid in om alle muziek afkomstig uit landen waarmee Duitsland zich in oorlog bevond te verbieden. Muziek van componisten uit Polen (met uitzondering van Chopin), Engeland, Frankrijk (afgezien van Bizet), Rusland en Amerika viel onder de censuur zodra deze landen in de oorlog betrokken raakten.

Op 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. De bezetter voerde een reorganisatie van het muziekleven naar Duits model in. Op 25 november 1940 werd het nieuwe ‘Departement van Volksvoorlichting en Kunsten’ opgericht, waaronder behalve de pers en de radio de gehele kunstsector ressorteerde.

Ondanks organisatorische moeilijkheden en tegenwerking uit de verschillende kunstsectoren kwam er in 1942 ook een Nederlandse Kultuurkamer. Op straffe van uitsluiting werden alle ‘ontspannings- en orkestmusici’, muziekverenigingen, componisten en muziekuitgevers verplicht om lid te worden van het Muziekgilde van de Kultuurkamer. De lijsten met ‘ongewenschte muziek’ van de Reichsmusikkammer uit Berlijn werden zorgvuldig vertaald voor Nederland. Ook vielen de platen van musici uit de landen waarmee Duitsland in oorlog was onder de categorie ‘feindstaatliche Schallplatten’. Het was verboden ze te (ver)kopen. Nederlandse orkesten mochten deze ‘Feindmusik’ ook niet meer spelen. De populaire swing kreeg het moeilijk.

De vooroorlogse ethisch gemotiveerde afwijzing van jazz en moderne Amerikaanse amusementsmuziek had plaats gemaakt voor politieke repressie. Maar omdat dit gebeurde door de bezetter, werd de eerdere morele verontwaardiging over deze ‘onbeschaafde muziek’ wat naar de achtergrond gedrongen. Plotseling werd het bon ton om op verjaardagsfeestjes in goed verduisterde kamers platen van Nat Gonella en Benny Goodman te draaien. Ook liberale kringen in Hamburg en Berlijn en de ‘Swing-Jugend’ in andere Noord- Duitse steden deden dat. Jazz draaien werd een politiek statement. Zo liet je zien dat je aan de goede kant stond.

Kees Wouters promoveerde in 1999 aan de Universiteit van Amsterdam met de dissertatie ‘Ongewenschte Muziek. De bestrijding van jazz en moderne amusementsmuziek in Duitsland en Nederland 1920-1945’, SDU, 1999. Sindsdien is hij werkzaam als onafhankelijk publicist en filmmaker.

Dit artikel is afkomstig uit het tijdschrift Geschiedenis Magazine
Geschiedenis Magazine biedt 8 x per jaar meeslepende geschiedenis uit betrouwbare bron. Goed verteld en rijk geïllustreerd. Benieuwd wat u van het komende nummer kunt verwachten? Kijk dan op www.isgeschiedenis.nl.