GEZONDHEID  Meisjes die op jonge leeftijd in de puberteit komen, hebben een grotere kans op borstkanker. Dat blijkt uit een verontrustend onderzoek van de Mount Sinai School of Medicine. De leeftijd waarop meisjes gaan puberen, is – in ieder geval in het land van onderzoek: de VS – al jaren aan het dalen.

Op dit moment is de gemiddelde leeftijd waarop Amerikaanse meisjes ongesteld worden stabiel (12 jaar). Maar de leeftijd waarop de meisjes borsten ontwikkelen, is dalende (van 10.88 jaar naar 9,86 jaar tussen 1991 en 2006). Dertien procent van de meisjes was zelfs al op zevenjarige leeftijd in de tweede fase van borstontwikkeling. Door deze vroege puberteit zou het lichaam meer vatbaar zijn voor omgevingsfactoren die de kans op borstkanker vergroten.

Uit eerdere onderzoeken was al gebleken dat de kans op borstkanker toeneemt als een vrouw drager is van de BRCA-genen. Maar slechts vijf tot tien procent van de borstkankerpatiënten is ziek doordat het in de genen zit. En zelfs al heeft een vrouw BRCA-genen, dan is het nog niet gezegd dat zij borstkanker krijgt: één normaal gen is al genoeg om de ziekte te weren.

Van de kwart miljoen Amerikaanse vrouwen die jaarlijks de diagnose borstkanker krijgen, heeft dus slechts vijf tot tien procent de ziekte door gemuteerde genen gekregen. Onderzoeker Alisan Goldfarb moet dan ook wel met een verbazende conclusie komen. “Borstkanker wordt niet aangeboren, maar gemaakt.”

En dat geeft hoop voor de toekomst. Want aan de genen zijn de vrouwen overgeleverd, maar aan ziekmakers in bijvoorbeeld de leefomgeving kan gewerkt worden. Datzelfde geldt voor de vroege puberteit. Zowel de puberteit als borstkanker hangen samen met verhoogde hoeveelheden estrogeen. Dit hormoon zou onder meer toenemen doordat vrouwen in aanraking komen met bepaalde chemicaliën.

Het risico van de eigen leefomgeving ten opzichte van borstkanker is aannemelijk, maar nog niet officieel bewezen. Dat zal ongetwijfeld de eerstvolgende stap in een volgend onderzoek zijn.