neuron

Zowel kinderen als adolescenten met autisme hebben een overschot aan synapsen: punten waar neuronen met elkaar in contact komen. Dat blijkt uit onderzoek. De studie biedt aanknopingspunten voor nieuwe behandelingen van autisme.

Wanneer kinderen klein zijn, ontstaan er tal van synapsen in het brein. Dat gebeurt met name in de cortex. Wanneer de kinderen ouder worden, wordt ongeveer de helft van de synapsen in de cortex weer ‘weggesnoeid’. Omdat de cortex een grote rol speelt in autistisch gedrag, vermoedden wetenschappers dat mensen met autisme in dit deel van het brein meer synapsen hebben dan mensen zonder autisme. Onderzoekers besloten die hypothese te toetsen.

Het onderzoek
Ze bestudeerden de hersenen van kinderen met autisme die door andere oorzaken om het leven waren gekomen. Het ging om de hersenen van dertien kinderen die op het moment van overlijden tussen de twee en negen jaar oud waren en dertien hersenen van tieners die op het moment van overlijden tussen de dertien en twintig jaar oud waren. Daarnaast bestudeerden de onderzoekers 22 hersenen van kinderen die geen autisme hadden. De onderzoekers waren met name geïnteresseerd in de dichtheid van de synapsen. Om die te achterhalen, telden de onderzoekers het aantal uitstulpingen van neuronen in de cortex. Elk ‘uitstulpsel’ is namelijk met een andere neuron verbonden via een synaps.

De resultaten
Uit het onderzoek blijkt dat adolescenten met autisme in hun cortex aanzienlijk meer synapsen hadden. Gezonde proefpersonen die tegen het einde van hun kindertijd aanliepen op het moment van overlijden beschikten over ongeveer de helft van de synapsen die in het brein van jonge, gezonde kinderen werden aangetroffen. Het bevestigt dat in een gezond brein ongeveer de helft van de synapsen wordt weggesnoeid. Bij adolescenten met autisme was maar ongeveer zestien procent van de synapsen die ze op jongere leeftijd hadden, weggesnoeid.

Verklaring
Maar hoe komt het dat jongeren met autisme meer synapsen aan hun kindertijd overhouden? De onderzoekers wijzen erop dat ze in het brein van kinderen met autisme veel oude en beschadigde componenten vonden. Het wijst erop dat hun brein slecht is in het afbreken en opruimen van onderdelen die niet (goed) meer werken. Met behulp van muismodellen konden de onderzoekers dit probleem herleiden naar een eiwit genaamd mTOR. Wanneer dit eiwit overactief is, zijn hersencellen niet meer goed in staat om grote schoonmaak te houden. En zonder die vaardigheid bleken de hersenen van muizen een overschot aan synapsen te krijgen. In het brein van bijna alle kinderen met autisme werden ook grote hoeveelheden overactief mTOR aangetroffen: het suggereert dat dit proces ook in hun brein een rol speelt.

Het onderzoek biedt ook uitzicht op een nieuwe behandeling van autisme. Zo tonen de onderzoekers aan dat muizen niet langer autisme-achtig gedrag vertoonden nadat ze een medicijn toegediend kregen dat mTOR afremt.