De aarde heeft al heel wat grote rijken gekend. Geen enkel rijk heeft echter het eeuwige leven gehad. Maar wil dat dan zeggen dat het onmogelijk is?

De laatste keizer van China: Aisin-Gioro ‘Henry’ Puyi. Foto: via Wikimedia Commons.

Eeuwigdurend was geen enkel rijk, maar er bestaan zeker langdurige rijken. We brengen enkele fascinerende ‘eeuwigdurende’ rijken in herinnering. De Italiaanse regisseur Bernardo Bertolucci verbeeldde de laatste Chinese keizer Henry Pu-Yi (1906-1967) pakkend in de biografische en historische dramafilm ‘The Last Emperor’ (1989). Deze film, die gaat over de slotfase van het Chinese keizerrijk, vertoont prachtige beelden, opgenomen in de Verboden Stad in Beijing. China was toen al zo’n twee millennia een keizerrijk. Denk ook aan het Romeinse en Byzantijnse keizerrijk, het Perzische keizerrijk, de Europese keizers tussen Karel de Grote en de Habsburgers, het Osmaanse rijk, en de Japanse keizers – de langst bestaande dynastie ooit. Jeroen Duindam, hoogleraar algemene geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden, met een achtergrond in geschiedenis en antropologie, voegt nog een belangrijk Afrikaans rijk dat zich graag als ‘eeuwigdurend’ presenteerde aan het lijstje toe, waar de gemiddelde lezer niet zo gauw aan zal denken: de dynastie van de Solomoniden die van de dertiende eeuw tot 1974 over Ethiopië regeerde. Hij vertelt: “Deze dynastie rekende zich terug tot het bijbelse bezoek van de Koningin van Sheba aan Solomon. Soms is een eeuwigdurend rijk fantasie en culturele ‘constructie’; nooit was er daadwerkelijk ononderbroken politieke of biologische continuïteit.”

Hoger doel
In het verleden bestond er een cyclische visie op rijken, vertelt Duindam: velen meenden daarin een vaste afwisseling van verschillende fasen te zien. Eerst is er de verovering van verschillende rijken om tot een keizerrijk te komen. Dan volgt opbouw en stabilisatie, maar vervolgens leidt dit hoogtepunt, zo dacht men, onherroepelijk tot verval. Is een rijk door uiteenlopende factoren ineengestort, dan volgt er een fase van ordening en wederopbouw. Denkers uit het verleden zagen tijdens zo’n periode van wederopbouw solidariteit onder de bevolking: er is een gezamenlijk, hoger doel waaraan gewerkt wordt. Die visie op solidariteit en een gezamenlijk doel na een fase van geweld en ineenstorting is wel begrijpelijk. Duindam geeft een modern voorbeeld om uit te leggen hoe belangrijk zo’n gezamenlijk doel is, en hoe dat op den duur uit beeld kan raken: “In het begin van de Europese eenwording direct na de Tweede Wereldoorlog was het doel duidelijk: oorlog voorkomen door een hechte band tussen de Europese landen te creëren. Het economisch succes van dit doel bleek al snel een belangrijke bijvangst. In het heden is die achtergrond nauwelijks meer zichtbaar. Mensen vragen zich af: Wat willen we nu eigenlijk samen? Ze zien de Unie vooral als een enorme hoeveelheid regeltjes, zonder overduidelijk gezamenlijk ideaal. Dan wordt het moeilijk om er nog iets van te maken – overigens in een tijd dat een gezamenlijke opstelling juist erg belangrijk wordt.”

Koning Karel II van Engeland (1630-1685) legt een onderdaan die lijdt aan scrofula de handen op. Deze ‘king’s touch’ is een laatmiddeleeuws Frans-Engels gebruik (het recht valt toe aan gezalfde koningen) dat vanaf 1660 in Engeland zijn hoogtepunt bereikt, na 1689 vermindert en na 1714 verdwijnt. In Frankrijk verdwijnt het tijdelijk onder Lodewijk XV, maar Lodewijk XVI raakte bij zijn aantreden weer duizenden aan. Afbeelding: R. White (via Wikimedia Commons).

Wederkerigheid
Een gezamenlijk doel kan draagvlak geven aan een rijk, stelt Duindam. Een andere belangrijke factor die in vele teksten uit het verleden wordt genoemd, is dat de keizer of de leider aandacht moet hebben voor de behoeften van het volk. “Er moet bij de keizer nederigheid en begrip zijn voor de bevolking. Er moet sprake zijn van wederkerigheid tussen volk en leider.” Soms ging het volk letterlijk naar de keizer of koning toe. “Ook in Europa leefde de gedachte dat de koning bijzondere krachten had: duizenden trokken in Engeland met name in de zeventiende eeuw naar het koninklijk hof om door ’s konings handoplegging te genezen van scrofula (een ziekte van de halsklieren). Er was een groeiende vraag naar deze handeling, er was dus blijkbaar meer aan de hand dan alleen ‘top-down’ propaganda.”

Externe bedreigingen
Duindam: “Volgens het klassieke idee van de ‘dynastieke cyclus’, mooi verwoord door de Noord- Afrikaanse schrijver Ibn Khaldun, heeft de eerste generatie een sterke onderlinge solidariteit. De tweede generatie machthebbers kijkt meer naar de eigen behoeften en wil bijvoorbeeld een mooier paleis. Er is dan snel sprake van decadentie en exploitatie van de bevolking. Als heersers het ideaal uit het oog verliezen en door luxe verloederen, verdwijnt hun draagvlak onder de bevolking. Er breken opstanden uit, met de komst van een nieuwe keizer of koning als gevolg. De cyclus, die zo’n drie generaties, of drie keer veertig jaar beslaat, begon dan volgens Ibn Khaldun opnieuw.” Naast psychologische factoren bij de leiders kunnen ook externe factoren ervoor zorgen dat een rijk valt, zoals epidemieën (de pest of Zwarte dood was berucht in het politiek instabiele Europa van de veertiende eeuw), natuurrampen zoals overstromingen en misoogsten (bijvoorbeeld in het Oude Egypte) en aanvallen door volkeren van buitenaf.

“Rijken zijn vaak op verovering gebaseerd. Als de expansie achter de rug is, zijn twee dingen belangrijk: het consolideren van de macht en het overbruggen van culturele en religieuze verschillen”

Opvolging
Duindam: “Een keizer of imperator is de koning der koningen. Hij verenigt verschillende volkeren. Een rijk is een koepel van al die verschillende volkeren. Rijken zijn vaak op verovering gebaseerd. Als de expansie achter de rug is, zijn twee dingen belangrijk: het consolideren van de macht en het overbruggen van culturele en religieuze verschillen. De veroveraars nemen elementen van de veroverden over, en vice versa. Zo nemen ook opeenvolgende rijken steeds elementen van elkaar over. Sommige rijken kunnen dan eeuwigdurend lijken, omdat veel herkenbare bouwstenen steeds opnieuw in één of andere vorm terugkomen.” Tevens speelt de opvolging van de keizer een belangrijke rol in het voortbestaan van zo’n eeuwigdurend rijk. Daar zijn in de hele geschiedenis altijd al ruzies over geweest. Duindam stelt: “Een doorlopende biologische continuïteit was er meestal niet op de lange duur, en rivalen stonden altijd klaar om hun rechten op te eisen. Stambomen waren knip- en plakwerk, waarin gaten werden opgevuld en machtsovernames werden gemaskeerd. Op den duur kon zo’n indrukwekkende stamboom wel een effect hebben, omdat er prestige aan vastkleefde.” De oriëntatie op het verleden was een factor van belang bij het voortbestaan van rijken. Tot in de late achttiende eeuw was de aandacht van koningen en keizers heel bewust naar het verleden gericht. “Keizers in China bijvoorbeeld, of de Osmaanse sultan, probeerden te voorkomen dat ook hun familie door een volgende draai van het wiel van de troon zou worden gestoten. Chinese keizers lieten de geschiedenis van de voorafgaande dynastie beschrijven; daarmee bevestigden zij hun positie, maar ze waren ook geïnteresseerd in de vraag hoe zij hun bewind gestalte moesten geven, hoe zij blunders konden voorkomen. Dat ging natuurlijk heel vaak mis, maar het is niettemin opvallend dat veel keizers en koningen een groot verantwoordelijkheidsgevoel aan de dag legden. Het geïdealiseerde verleden bleef altijd de norm, terwijl moderne leiders zich juist meestal presenteren als vernieuwers: innovatie is nu een sleutelwoord.”

Culturele formule
Het is de vraag wat er nu eigenlijk als ‘eeuwigdurend’ wordt gedefinieerd. “Yuri Punes beschrijft in zijn mooie boek ‘The everlasting empire. The political culture of ancient China and its imperial legacy’ dat het keizerlijke China één lange culturele identiteit heeft gekend, terwijl er tegelijkertijd voortdurende politieke woelingen waren. De culturele invulling van het Chinese rijk bleef ‘everlasting’ ondanks enorme politieke veranderingen en dynastieke wisselingen. Pines wijst op enkele uitgangspunten die in de periode vanaf Confucius (551-479) als basisrecept werden uitgedacht en later werden herhaald. China zou steeds moeten bestaan uit de componenten keizerschap, eenheid, een hoofdrol voor de geletterde elite, en het ‘mandaat van de hemel’ — waarin ook het volk een bepaalde macht kreeg toebedeeld: het recht van opstand. Pines laat zien, dat zo’n culturele formule een enorme continuïteit kan hebben.”

Keizer Akihito, de 125e keizer van Japan. Foto: William Ng (via Wikimedia Commons).

Geen echte macht
De Japanse keizerlijke dynastie spant de kroon als het gaat om de eeuwigdurendheid. De dynastie rekent zich terug tot Keizer Jimmu in de 7e eeuw. Keizer Akihito is de huidige en 125e keizer van Japan. “Het grootste deel van de geschiedenis is de keizer in Japan echter helemaal niet aan de macht geweest,” vertelt Duindam. “Je zag hem niet, hij werd geïdealiseerd en hij voltrok in afzondering bepaalde rituelen. De echte heerser was, van de 17e tot de 19e eeuw, de shogun, de ‘generaal’ van de keizer. Eerder in de geschiedenis waren dat regenten geweest, of keizers die troonsafstand hadden gedaan en vanuit het klooster regeerden. De veronderstelling is dat juist door de politieke onmacht en het isolement de culturele rol van de keizer gehandhaafd kon blijven.” De keizers kwamen in de late negentiende eeuw weer in het politieke centrum, maar verkregen na de Tweede Wereldoorlog in zekere zin weer hun rol op afstand. Onder de moderne constitutie van Japan is de keizer nog grotendeels slechts in naam het hoofd van de staat.

“De ‘heersers’ van nu hebben feitelijk veel meer macht over het volk dan vroeger”

Duindam plaatst in dit kader nog een kanttekening bij de daadwerkelijke macht van heersers. “Heersers van de periode voor 1800 konden dan wel in theorie almachtig zijn, in de praktijk hadden zij vaak weinig in te brengen. Communicatiemiddelen en infrastructuur maakten het moeilijk beslissingen door te duwen, en zelfs in het centrum werd een heerser vaak aan alle kanten gemanipuleerd. De ‘heersers’ van nu hebben feitelijk veel meer macht over het volk dan vroeger: zij beschikken over technische middelen die in het verleden ondenkbaar waren. Indrukwekkende paleizen en koninklijke propaganda hebben mensen op het verkeerde been gezet.” Duindam vult aan: “De afstand tussen heerser en volk zorgde ervoor dat koningen buiten hun kerngebied voornamelijk bekend waren door volksverhalen en overlevering. Soms mengden heersers zich met de bevolking, bijvoorbeeld door recht te spreken en ontevredenen te horen.”

Verschillende types heersers
Over keizers zegt Duindam: “Een keizer draagt zijn taak een groot deel van zijn leven. Dat uitgangspunt is dus anders dan voor vrijwel alle moderne machthebbers. Daardoor is het belangrijk te zien in welke levensfase de vorst zit. Je hebt vorsten van 6 of 13, maar ook van 60 of 70. Dat heeft gevolgen voor hun manier van regeren. Kinderen staan onder toezicht van hun omgeving, pubers willen zich daarvan vrijmaken: stel je dat proces eens voor met een puber op de troon. Ouderen zien hun wereld krimpen en worden afhankelijker: dat geeft ruimte aan ambitieuze hovelingen. Wat is eigenlijk de ideale heerser? Hoge ambtsdragers zochten misschien wel vooral een volgzame figuur, daarmee heb je minder last. Maar elders was de verwachting dat de heerser te paard de legers moest aanvoeren – dan heb je weinig aan een verlegen bleekneus. Binnen één rijk konden de eisen per periode verschuiven. Daarnaast zijn er verschillende typen heersers en rijken. Djengis Khan is de belichaming van activiteit en verovering, al viel onder zijn opvolgers het Mongoolse rijk snel uiteen. In China of Japan ging de vorst meestal niet zelf te paard: raadgevers hielden hem voor dat hij slechts door zichzelf te verbeteren en rituelen te vervullen een harmonieus voorbeeld zou zijn voor het volk.” Een keizer van de Chinese Tang-dynastie schreef allerlei teksten over zijn regering die recent zijn vertaald en gebundeld in een ‘gids voor leiderschap’: de auteur zag daarin blijkbaar allerlei tijdloze elementen. Duindam: “Een interessant punt uit veel van dergelijke adviesliteratuur is juist de terughoudendheid: luisteren in plaats van handelen. Soms is het beter om even niets te doen, om alles gewoon te laten stromen. In de idealen die aan koningen werden voorgehouden zitten veel overeenkomsten boven de partijen staan, rechtvaardig zijn, de zwakkeren beschermen, ordening aanbrengen en luisteren. In de praktijk liep het vaak heel anders. Magistraten en heersers die richtlijnen voor koningen en keizers over de hele wereld opstelden, onderstrepen nederigheid, maar waarschuwen ook tegen impulsief gedrag en te veel praten. Zij zouden gruwelen van Trumps getwitter.”

Hier zie je Maria met het kindje Jezus. Aan haar voeten de keizerin Mentewab. Afbeelding: via Wikimedia Commons.

Machtige vrouwen
Vrouwen hebben bijna nooit een voorkeurspositie gehad om de hoogste macht in een rijk te dragen. “In de hele Chinese geschiedenis was er maar één regerende keizerin, en haar nagedachtenis is zwartgemaakt. Als er niemand meer over was in de mannelijke lijn, of als de overgebleven mannen elkaar de keel afsneden, kon een vrouw aan de macht komen. Dat was uitzonderlijk. Veel vaker regeerde een vrouw tijdelijk, uit naam van haar man of zoon. Dan kon moeder overigens in de praktijk wel de lakens uitdelen. Keizerin Mentewab van Ethiopië regeerde tussen 1730 en 1755 eerst uit naam van haar zevenjarige zoontje, daarna nog tot 1769 uit naam van haar kleinzoon: al die tijd had zij de touwtjes in handen. Via het moederschap kregen vrouwen grote macht als regent, maar ze zaten niet vaak uit eigen naam op de troon. Voorbeelden van regerende vrouwen zien we vrij veel in kleine Afrikaanse koninkrijken, maar ook in Zuid-Oost Azie, en in Europa: bijvoorbeeld de Engelse koninginnen in de zestiende eeuw, de Russische keizerinnen in de achttiende eeuw, en de ‘lange eeuw’ van Nederlandse koninginnen na 1890. Als er geen mannelijke erfgenamen waren en zo’n vrouw het goed deed, verscheen er soms een hele serie vrouwen op de troon: het plafond was dan even doorbroken, maar meestal niet voor meer dan twee of drie generaties.

Duindam stelt dat het idee van een eeuwigdurend rijk als fantasie en cultureel model zeker heel belangrijk kon zijn, maar dat we er in de politieke geschiedenis tevergeefs naar zullen zoeken. “Geen enkel keizerrijk bleef als een onveranderlijk gegeven bestaan, maar elk nieuw keizerrijk knoopte graag aan bij eerdere modellen. De parvenu-keizer Napoleon plakte en knipte de geschiedenis van voorgaande rijken aan elkaar om zijn eigen kortdurende bewind een mooi decor te bezorgen. Elders was het niet anders. In de praktijk verhinderde de optelsom van interne woelingen, opvolgingsoorlogen, invasies door vijanden van buiten, natuurrampen, ziekten en klimaatveranderingen het voortbestaan van rijken. Vandaar dat er in het verleden de opeenvolging van rijken als een doorlopende cyclus werd gezien: de eeuwigheid school voor deze waarnemers in de herhaling van bekende zetten.”

Christa van der Hoff heeft Italiaanse taal- en letterkunde gestudeerd aan de Rijksuniversiteit Leiden (1986) en heeft het grootste deel van haar 30-jarige loopbaan in de dagbladjournalistiek gewerkt (Haagsche Courant, Algemeen Dagblad). Ze heeft een brede maatschappelijke belangstelling en beeldend schrijven is haar passie. Voor Scientias.nl schrijft ze verhalen over onder meer talen en culturen, (kunst)geschiedenis, culinaire geschiedenis en sociaal-economische onderwerpen.