Steeds vaker komen kinderen middels een keizersnede ter wereld en dat heeft zo zijn gevolgen. Ook voor de evolutie van de mens.

Gynaecologen kunnen verschillende redenen hebben voor het toepassen van een keizersnede. Maar een veelgehoorde reden is dat het hoofd van de baby niet door het bekken van de vrouw past. Het is een levensbedreigende situatie – zowel voor de moeder als voor het kind. En tot in de jaren vijftig stierven hierdoor zes procent van de vrouwen en kinderen in het kraambed. Dankzij de keizersnede is dat percentage gelukkig enorm gedaald. Maar dat heeft ook een keerzijde, zo tonen de onderzoekers aan. Vrouwen die anders wellicht met hun kindje in het kraambed waren gestorven, overleven en geven de genen voor een smal bekken door aan hun dochters. Hierdoor zijn er steeds meer vrouwen met een te smal bekken en dus steeds meer bevallingen die in een keizersnede eindigen. In feite oefent de keizersnede dus invloed uit op de evolutie van de mens, zo stellen de onderzoekers in het blad Proceedings of the National Academy of Sciences.

Evolutie
Evolutiebiologen vermoeden dat onze voorouders een smaller bekken ontwikkelden toen ze rechtop gingen lopen. Pas later in de evolutie verkregen onze voorouders tevens grotere hersenen. En toen ontstond dus dat probleem dat bestaat uit een smal bekken en een groot brein.

Selectiedruk
“Evolutionair gezien is een smal bekken een voordeel,” stelt onderzoeker Philipp Mitteroecker. Zo heeft een smal bekken een positieve invloed op de voortbeweging en gaat het een baarmoederverzakking tegen. Tegelijkertijd zijn de overlevingskansen van een baby beter naarmate deze bij de geboorte groter is. Er zijn dus twee eigenlijk tegenstrijdige evolutionaire krachten: een selectiedruk voor een smaller bekken en een selectiedruk voor grotere baby’s. “Hoe smaller het bekken en hoe groter het kind: hoe beter.” Maar een bekken kan niet alsmaar smaller worden, terwijl een hoofd alsmaar groter wordt. De twee evolutionaire krachten hielden elkaar dan ook jarenlang in evenwicht. “Op een gegeven moment bereik je het punt waarop een kind niet meer door het bekken past.” Op zo’n punt overleed het kind en/of de moeder en werden de genen voor een te smal bekken niet doorgegeven.

Ingrijpen
Maar wanneer we vandaag de dag op het punt komen dat een kind niet door het geboortekanaal kan, wordt er ingegrepen. Het kind wordt met een keizersnede gehaald en vaak overleven zowel moeder als kind gelukkig die ingreep. Het betekent dat de genen voor een te smal bekken wel worden doorgegeven. En dus worden de bekkens gaandeweg smaller. “En verlopen natuurlijke geboortes problematischer.”

Sneeuwbaleffect
Het is dus een sneeuwbaleffect. Zo’n vijftig tot zestig jaar geleden pasten ongeveer 30 op de 1000 baby’s niet door het geboortekanaal. Vandaag de dag zijn dat er naar schatting 36 op de 1000. Dat betekent dat het aantal kinderen dat niet door het geboortekanaal past sinds het toepassen van de keizersnede – in twee generaties tijd – met tien tot twintig procent is toegenomen, zo schrijven de onderzoekers.

Waar moet dat heen? Zullen vrouwen in tien tot twintig generaties niet meer natuurlijk kunnen bevallen, omdat hun bekken te smal is? Daar willen de onderzoekers niet aan. “Ook deze selectiedruk wordt sterk beïnvloed door de geneeskunde. Zo hebben bijvoorbeeld heel kleine of te vroeg geboren kinderen vandaag de dag heel goede overlevingskansen en sterft men ook aan een baarmoederverzakking niet meer.” Daarnaast kan het hoofd van een kind ook niet alsmaar groter worden, omdat het te veel energie vergt van de moeder.