De pinguïn doet het beter als er minder zee-ijs is.

De hoeveelheid zee-ijs neemt in het Arctisch gebied al jaren op rij af. En Antarctica wacht zeer waarschijnlijk hetzelfde lot. Het heeft ongetwijfeld grote gevolgen voor verschillende diersoorten die een groot deel van hun leven op dit zee-ijs doorbrengen of er anderszins sterk van afhankelijk zijn. Maar die gevolgen zijn niet altijd negatief. Zo zijn er ook soorten die juist beter gedijen als er minder zee-ijs rond Antarctica te vinden is.

Energie en tijd besparen
Dat geldt bijvoorbeeld voor de meest voorkomende pinguïn op Antarctica: de adéliepinguïn. Onderzoekers waren er eerder al getuige van dat hun aantallen sterk toenemen in jaren waarin het zee-ijs schaars is. Terwijl de pinguïns in jaren waarin het zee-ijs Antarctica overvloedig omringt, juist grotere moeite hebben om hun jongen groot te brengen en hun aantallen op te krikken. Onduidelijk bleef echter hoe dat nu precies kwam. Een nieuw onderzoek werpt een nieuw licht op de zaak.


“De pinguïns blijken gelukkiger te zijn met minder zee-ijs,” vertelt onderzoeker Yuuki Watanabe. “Dat klinkt misschien wat tegenstrijdig, maar het onderliggende mechanisme is verrassend eenvoudig.”

Het onderzoek
Tot die conclusie komen Watanabe en collega’s nadat ze 175 adéliepinguïns van videocamera’s, een GPS-apparaatje en accelerometers voorzagen. Met behulp van deze apparaatjes konden de onderzoekers vaststellen waar de pinguïns naartoe gingen, wanneer ze rustten of zwommen of rondliepen en een inschatting maken van de hoeveelheid voedsel die de pinguïns verzamelden. Door de pinguïns zo gedurende vier seizoenen – waarin de hoeveelheid zee-ijs van nature sterk varieert – te volgen, kon worden vastgesteld hoe het zee-ijs de handel en wandel van de pinguïns beïnvloedt.

Een adéliepinguïn met onder meer een camera op de rug. Afbeelding: Yuuki Watanabe, National Institute of Polar Research.

Minder lopen, meer zwemmen
Het onderzoek wijst uit dat het leven van de pinguïns een stukje gemakkelijker wordt als er in hun leefgebied weinig zee-ijs te vinden is. Want wanneer er minder zee-ijs ligt, hoeven de pinguïns wanneer ze op jacht gaan naar voedsel niet zo ver te lopen. In plaats daarvan kunnen ze – soms zelfs direct naast hun nest – zo het water in glijden en zich zwemmend voortbewegen. En dat gaat de dieren een stuk beter af dan lopen (of beter gezegd: waggelen). “Voor pinguïns gaat zwemmen maar liefst vier keer sneller dan lopen,” stelt Watanabe. Door zich zwemmend voort te bewegen, besparen de pinguïns dan ook veel energie én tijd. En daar profiteren ook hun jongen weer van. “In ijsvrije seizoenen verplaatsen ze zich zwemmend heel snel en kunnen ze gaan en staan waar ze willen,” vertelt Watanabe aan Scientias.nl. “Ze kwamen dan ook sneller terug naar hun nest, waardoor de jongen die in het nest zaten te wachten vaker van voedsel konden worden voorzien.”


Minder competitie
Maar dat zijn niet de enige manieren waarop de pinguïns bij minder zee-ijs gebaat zijn. Zo blijkt ook de competitie tussen de pinguïns onderling in perioden dat er weinig zee-ijs ligt, minder intens. “In de seizoenen dat er zee-ijs ligt, kunnen de pinguïns alleen maar door scheuren in het ijs duiken,” vertelt Watanabe. “Dat betekent dat de competitie tussen de pinguïns ook feller is.” Want als er geen zee-ijs is, kunnen de pinguïns zwemmend gaan en staan waar ze willen en zitten ze elkaar dus ook minder in de weg. Tenslotte herbergen zee-ijsvrije wateren – waar veel zonlicht in kan vallen – ook nog eens meer algen. En die algen zijn weer het lievelingskostje van krill – kleine garnaalachtige dieren waar pinguïns graag hun buik mee vullen.

Keizerspinguïns
Mogelijk zijn er naast de adéliepinguïns nog wel meer soorten die het beter doen als er minder zee-ijs is, zo stelt Watanabe. “Ik kan me voorstellen dat hetzelfde geldt voor keizerspinguïns, omdat zij broeden in gebieden die ver verwijderd zijn van de rand van het zee-ijs en extra grote afstanden moeten afleggen als er veel zee-ijs ligt. Het betekent dat de pinguïns in zo’n situatie meer tijd en energie kwijt zijn en hun jongen minder vaak eten krijgen, iets wat we dus ook bij de adéliepinguïns zien.”

Kanttekening
En zo lijken onderzoekers nu een soort te hebben gevonden die gebaat is bij klimaatverandering. Maar daar moet wel een belangrijke kanttekening bij worden geplaatst. “Klimaatverandering is goed voor adéliepinguïns, maar alleen in gebieden waar het zee-ijs normaal gesproken dik is,” benadrukt Watanabe. Bovendien is het als al het zee-ijs verloren zou gaan, nog maar zeer de vraag of het de adéliepinguïn dan nog steeds goed gaat. “Een compleet verlies van zee-ijs betekent bijvoorbeeld dat pinguïns wanneer ze in het water zijn, niet langer op zee-ijs uit kunnen rusten. Daarnaast kan zee-ijs dieren die op pinguïns jagen – zoals zeeluipaarden – op afstand houden.” Kortom: adéliepinguïns doen het goed bij minder zee-ijs, maar lijken niet zonder zee-ijs te kunnen.

En zo is het opmerkelijke verhaal van de adéliepinguïn dus allesbehalve een vrijbrief om maar broeikasgassen uit te blijven stoten. Want ook de ogenschijnlijk onoverwinnelijke adéliepinguïn heeft zijn grenzen.