In het Trias-Jura-tijdperk warmde de aarde op en ook Groenland heeft dat gemerkt, zo blijkt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht. Het aantal plantensoorten nam er in die warme periode met 80 procent af. De onderzoekers concluderen dat nadat ze op basis van fossiele bladeren en prehistorisch stuifmeel de biodiversiteit vastlegden.

Klimaatverandering heeft altijd een grote invloed op de biodiversiteit. Zo ook meer dan 200 miljoen jaar geleden. In het Trias-Jura-tijdperk stierven planten en dieren massaal uit. Exacte hoeveelheden waren lang onbekend en liepen tientallen procenten uiteen. De onderzoekers van de universiteit van Utrecht maken nu een einde aan die schattingen.

Samen met collega’s van de universiteit in Dublin onderzochten de biologen prehistorisch stuifmeel. Door dat onderzoek te combineren met een studie naar fossiele bladeren, werd alles een stuk duidelijker en nauwkeuriger. “Varens en mossen zijn in het algemeen beter te identificeren aan de hand van stuifmeel,” vertelt onderzoeker Wolfram Kürschner. “Bepaalde groepen van zaadplanten, zoals palmvarens (cycassen), zijn echter het beste aan de hand van hun bladeren of zaden te herkennen. Door de twee technieken te combineren konden we de prehistorische veranderingen in de biodiversiteit met veel grotere precisie bepalen.”

Het onderzoek kan de wetenschappers helpen om beter te voorspellen wat er tijdens een klimaatverandering met flora en fauna kan gebeuren. “Die kennis is nodig om de biodiversiteit in de toekomst zoveel mogelijk op peil te houden. Door het op tijd beschermen en ondersteunen van klimaatgevoelige dieren of planten is een gedeelte van de schade wellicht op te vangen.”