Van een bonte kraai tot oude koeien – het Nederlands kent honderden spreekwoorden. Wat ze betekenen, weten we meestal wel. Maar waar komen ze eigenlijk vandaan?

De vele tegeltjeswijsheden, clichés en waarheden als koeien die de Nederlandse taal rijk is, gaan vaak al honderden of zelfs duizenden jaren mee. Soms raakt er eentje in de vergetelheid, soms komen er weer nieuwe bij. Maar of ze onze taal nu al lang sieren of niet, achter al deze spreekwoorden schuilt een verhaal. Want waarom mogen we een gegeven paard niet in de bek kijken? En wie zegt dat oog om oog, tand om tand is? Tijd om oude én nieuwe koeien uit de sloot te halen.

Achterhaalde spreekwoorden

Spreekwijzen vertolken wat in een bepaalde periode als verstandig wordt gezien. Dat maakt dat ze soms beperkt houdbaar zijn. Inmiddels achterhaalde Nederlandse wijsheden als ‘wie de roede spaart, haat zijn kind’ en ‘waar broeken spreken, moeten rokken zwijgen’ worden bijvoorbeeld nauwelijks meer gebruikt.

Wat maakt een spreekwoord tot een spreekwoord?
‘Een spreekwoord is niet altijd een waar woord’, is een Nederlandse spreekwijze. En zo is het maar net: spreekwoorden geven uiting aan een bepaalde waarheid of levenswijsheid, maar hoeven het niet per se bij het juiste eind te hebben. “Een spreekwoord is een korte, algemeen bekende zin van het volk, die wijsheid, waarheid, moralen en traditionele opvattingen omvat, op een metaforische en gedenkwaardige manier”, verklaart Wolfgang Mieder, professor aan de Universiteit van Vermont. Mieder is expert op het gebied van de paremiologie, de studie van spreekwoorden en zegswijzen, en schreef talloze boeken en artikelen over dit onderwerp. “Een spreekwoord vervult de menselijke behoefte om ervaringen en observaties samen te vatten in kant-en-klare opmerkingen”, stelt hij. Anders dan een uitdrukking, zegswijze of gezegde, is zo’n opmerking verpakt in een volledige zin. Deze zin staat steevast in de tegenwoordige tijd en kan niet van vorm veranderen.

Wereldkennis
De meeste tegeltjeswijsheden hebben betrekking op een klein en lokaal deel van het dagelijks leven. Uit de totale verzameling gangbare spreekwoorden in een taal kun je dan ook niet bepaald een heersende moraal opmaken. “Er zijn spreekwoorden voor elke denkbare context, en dus zijn ze zo tegenstrijdig als het leven zelf,” aldus Mieder. Zo heeft ‘brutalen hebben de halve wereld’ net zo goed een plekje in ons spreekwoordenboek als ‘met de hoed in de hand komt men door het ganse land’. Toch betekent dat niet dat spreekwoordelijke kennis altijd per plaats verschillend is. Wanneer we spreekwoorden uit allerlei talen en culturen met elkaar vergelijken, blijken ze vaak juist gemeenschappelijke inzichten uit te drukken. Ze kunnen afzonderlijk van elkaar zijn ontstaan, of dezelfde bronnen hebben.

“Net als raadsels, grappen of sprookjes, komen spreekwoorden niet uit de lucht vallen”

Een goed begin is het halve werk
Maar wie of wat zijn die bronnen dan? “Net als raadsels, grappen of sprookjes, komen spreekwoorden niet uit de lucht vallen,” stelt Mieder. Volgens hem begint een spreekwoord altijd, bewust of onbewust, bij een zin of uitspraak van één persoon. Als deze zin elementen van waarheid en wijsheid bevat en voldoet aan andere spreekwoordelijke kenmerken (zoals rijm en alliteratie), blijft hij mogelijk hangen, wordt voor het eerst in een kleine familiekring gebruikt, vervolgens in een dorp, in een stad, een regio, een land, een continent – en vindt ten slotte zijn weg naar de rest van de wereld. Zeker bij oude wijsheden is het alleen erg moeilijk, zo niet onmogelijk, om te achterhalen wie een spreekwoord voor het eerst heeft bedacht.

Grieks-Romeinse wijsheid

Hoewel van de meeste spreekwoorden de eigenlijke bedenkers dus onbekend blijven, kunnen we op basis van een tijdsinschatting wel andere bronnen aanwijzen. Naast plaatselijk ontstane spreuken die deel uitmaken van een lokaal of regionaal repertoire, onderscheidt Mieder vier grote bronnen van spreekwoorden die in identieke bewoordingen in de meeste Europese talen zijn opgenomen. Als eerste noemt hij Latijnse spreuken uit de Klassieke Oudheid, met de kanttekening dat sommige spreuken mogelijk nog veel ouder zijn dan hun eerste gevonden vermelding doet vermoeden. Veel bekende Europese spreekwoorden werden, voor zover we weten, voor het eerst gebruikt door de Romeinen, maar het Latijn was het medium van talloze Griekse zinnen die daarvoor al bestonden. Mogelijk zijn ze bedacht door onbekende filosofen of zijn het delen van historische verslagen, oude orakels, mythes en fabels. Over welke spreekwoorden hebben we het dan? Hier een paar voorbeelden:

Een gegeven paard hoor je niet in de bek te kijken. Zo dacht men er in de Oudheid al over.

Je moet een gegeven paard niet in de bek kijken. In het Latijn: ‘noli equi dentes inspicere donoti’ (‘de tanden van een gegeven paard moet je niet inspecteren’). Het gebit van een paard laat zien hoe oud het dier ongeveer is. Handig natuurlijk als je er één wilt kopen, maar niet heel beleefd als je er één krijgt, vonden ze in de Oudheid.
Blaffende honden bijten niet. Een bange hond blaft meer dan hij bijt, is de gedachte achter deze wijsheid. Misschien maar beter om ‘m niet echt op waarheid te testen…
Pluk de dag. In het Latijn: ‘carpe diem’. Deze spreuk is terug te voeren naar de Romeinse dichter Horatius. Vrij vertaald schreef hij: ‘pluk de dag, maak zo min mogelijk staat op de volgende’. De Nederlandse versie ‘pluk de dag’ is een vertaling van Louis Couperus.
Eén zwaluw maakt nog geen zomer. Dit spreekwoord is ontleend aan de Griekse fabeldichter Aesopus. Het verhaal gaat over een man die de eerste zwaluw ziet, daardoor denkt dat het lente wordt en vervolgens zijn jas verkoopt. Maar de zwaluw maakt hem blij met een dooie mus: het wordt koud, de zwaluw vriest dood en de man wacht bijna hetzelfde lot. De volgende keer denkt hij dus wel twee keer na… Varianten hierop zijn ‘één bonte kraai maakt nog geen winter’, ‘één ooievaar maakt nog geen zomer’ en ‘één spreeuw maakt nog geen lente’.

Desiderius Erasmus

Erasmus
De Rotterdamse geleerde Desiderius Erasmus speelde een grote rol in de verspreiding van wijsheden zoals deze. In zijn werk ‘Adagia’ (1500) verzamelde hij duizenden Grieks-Latijnse spreuken en citaten. “Erasmus is degene die de klassieke Griekse en Latijnse spreekwoorden in alle landstalen van Europa heeft helpen verspreiden,” zegt Mieder. “Ik zou niet veel van mijn vergelijkend onderzoek kunnen doen zonder zijn bijdrage. Hij was één van de grootste denkers van de zestiende eeuw en had een ongelooflijke invloed.” De collectie van Erasmus werd gebruikt door de humanisten van zijn tijd. De spreekwoorden werden ingezet voor educatieve doeleinden, verwerkt in literatuur en door middel van vertaling in de volkstaal opgenomen.

Waarheden uit de Bijbel
De tweede grote bron van Europese spreekwoorden die Mieder herkent, is de oude Latijnse wijsheidsliteratuur die in de Bijbel en andere religieuze teksten werd verwerkt. De Bijbel had, als één van de meest vertaalde en gelezen boeken, een grote invloed op de verspreiding van spreekwoorden. Vroeger waren verwijzingen naar gebeurtenissen uit het boek voor iedereen herkenbaar. Tegenwoordig zijn deze wijsheden zo ingeburgerd dat gebruikers vaak niet meer weten dat ze Bijbelse wijsheid citeren. De volgende spreekwoorden uit de Bijbel zijn in Europa en delen van de rest van de wereld in hun eigen taal opgenomen:

De Bijbel: ook een bron van spreekwoorden.

Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. Je zult zelf slachtoffer worden, wanneer je iemand probeert te bedriegen, aldus verschillende Bijbelteksten. De ‘kuil’ in deze zin kan zowel verwijzen naar een valkuil om grote dieren in te vangen, als naar het gegeven van ‘iemand in de val lokken’.
Wie wind zaait, zal storm oogsten. Leert ons eenzelfde wijze les: als je onrust veroorzaakt, zal je daar zelf de dupe van worden.
Oog om oog, tand om tand. Dit spreekwoord stamt uit een fragment uit de Bijbel over vergelding van misdaden: ‘(…) zult gij geven leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet, blaar voor blaar, wond voor wond, striem voor striem’. De Engelsen hebben er een rijmpje over: ‘measure for measure, tit for tat: if you kill my dog, I’ll kill your cat.’ Da’s klare taal, toch?
“Maar,”, zo stelt Mieder, “in de vertolking van Bijbelse wijsheden lag het deels aan de vertaler of een spreuk in de beoogde taal pakkend genoeg werd.” Dat was niet altijd het geval. Een voorbeeld: in 1616 werd de Latijnse Bijbelspreuk ‘Ex abundantia cordis os loquitur’ (vrij vertaald: ‘vanuit het hart, spreekt de mond overvloedig’) in het Engels weergegeven als: ‘Out of the abundance of the heart the mouth speaketh’. Tsja, dat werd dus geen blijvertje.

Middeleeuwse wijsheid
De derde bron bestaat volgens Mieder uit de rijke schat aan Latijnse wijsheden uit de Middeleeuwen.
Een greep uit deze spreuken:

Je moet het ijzer smeden als het heet is. Bekende varianten zijn: ‘men moet hooien als de zon schijnt’ en ‘je moet zeilen als de wind waait’.
Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. In het Middelnederlands uit de veertiende eeuw: ‘alse de catte es van huus, dat dan rincleert de muus’ (‘als de kat van huis is, dan is de muis uitgelaten’). Ook hier bestaan varianten op: ‘als het hek van de dam is, lopen de varkens in het koren’ of ‘als het hek van de dam is, lopen de schapen de wei uit’.
Lege (of: holle) vaten klinken het hardst. Geef je een schop tegen een leeg vat, dan maakt dat veel meer herrie dan wanneer je dat doet tegen een vol vat. Dit symboliseert de betekenis van dit spreekwoord: domkoppen en leeghoofden hebben veel meer praatjes dan verstandige mensen.
De kleren maken de man. Ook in de Middeleeuwen werd je beoordeeld op je uiterlijk, dus deed je er goed aan je netjes te kleden. In de zestiende eeuw zei men: ‘de cleederen maken den man, diese heeft doese aen’ (‘de kleren maken de man, wie ze heeft kan ze maar beter aandoen’).

Ook Benjamin Franklin heeft een spreekwoord op zijn naam staan.

Spreekwoordelijk leenstelsel
Niet alleen de klassieke, Bijbelse en Middeleeuwse Latijnse spreuken werden in de eigen taal vertolkt. Europese landen ‘leenden’ ook andere spreekwoorden van elkaar, die woord-voor-woord werden vertaald. De vierde, laatste en meer recente grote bron van gemeenschappelijke Europese spreekwoorden die Mieder noemt, sluit aan bij dit fenomeen. Waar het Latijn ooit diende als de overkoepelende taal (‘lingua franca’) van Europa, was die rol vanaf de 20e eeuw voor het Engels weggelegd. Engelse woorden werden en worden vaak geleend door andere talen, in originele vorm of vertaald, en dat geldt ook voor spreekwoorden. Zo zijn de volgende Anglo-Amerikaanse spreuken ook in het Nederlands spreekwoordenboek te vinden:

No news is good news. ‘Geen nieuws, goed nieuws’.
Time is money. ‘Tijd is geld’. Deze spreuk werd bedacht door de Amerikaanse wetenschapper en politicus Benjamin Franklin in de 18e eeuw en is wereldwijd bekend.
A picture is worth a thousand words. ‘Één beeld zegt meer dan duizend woorden’.
An apple a day keeps the docter away. ‘Een appel per dag houdt de dokter weg’. Beide versies zijn gangbaar in het Nederlands.

Lang voor de Tweede Wereldoorlog werden Britse en Amerikaanse wijsheden al ‘leenvertaald’. Na het einde van de oorlog nam dit nog eens flink toe, toen de Verenigde Staten als een grote politieke, economische en culturele speler een nauwere band kreeg met Europa en andere landen. De Amerikaanse ‘way of life’ drong langzaam door in verschillende samenlevingen. “De Engelse taal werd het communicatiemiddel dat de wereld bindt,” aldus Mieder.

De favoriet van Mieder

Spreekwoordenexpert Wolfgang Mieder: “Het Amerikaanse spreekwoord ‘different strokes for different folks’ (vrij vertaald: iedereen heeft zijn eigen manier om dingen aan te pakken) is mijn favoriet, omdat het mensen niet zegt wat ze wel of niet moeten doen, zoals zoveel spreekwoorden. Het spreekwoord erkent dat mensen verschillen en dat we tolerant moeten zijn naar elkaar. Het is in die zin een bevrijdende spreuk, maar zoals ik altijd tegen mijn studenten zeg, het betekent niet dat je maar kunt doen en laten wat je wilt. Ethisch gedrag, wederzijds respect en eerlijke behandeling zijn deel van deze vrijheid.
De spreuk is ontstaan onder de Afro-Amerikaanse bevolking en de eerste vermelding ervan dateert uit 1945.”

Herkomst van moderne spreekwoorden
Tot zover de geschiedenis van oudere wijsheden. Hoe zit het eigenlijk met nieuwe spreekwoorden? “Elke groep mensen die je maar kunt bedenken – bijvoorbeeld studenten, dokters of voetballers – kunnen eigen spreekwoorden bedenken”, zegt Mieder. “Dat maakt het soms moeilijk om moderne spreekwoorden te herkennen: er is onderzoek onder verschillende groepen nodig om ze te vinden. Maar ze worden zeker wel gemaakt.”

Daarnaast kunnen spreekwoord-achtige leuzen in de tijd van massamedia snel uitgroeien tot volwaardige wijsheden. Mieder: “Zinnen uit boeken en liedjes, advertentieslogans, bumper stickers, boektitels, T-shirt inscripties en headlines kunnen bijvoorbeeld allemaal in spreekwoorden veranderen.” Zoals deze slagzinnen annex spreekwoorden:

What happens in Vegas, stays in Vegas. Deze spreuk werd bedacht als advertentieslogan in 2002 om toeristen naar Las Vegas te trekken.
Don’t worry, be happy. Aldus de olijke titel van een popliedje van Bobby McFerrin uit 1988, die ook in Nederland een bekende leus werd.
Big brother is watching you. Wie kent ‘m niet, dit citaat uit de roman ‘1984’ van George Orwell?
Life is like a box of chocolates, you never know what you’re gonna get. Deze zin werd in Nederland populair door de film ‘Forrest Gump’ uit 1994, net als de spreuk Shit happens.
You’ll never walk alone. Dit spreekwoord is ontleend aan het gelijknamige lied van Richard Rogers en Oscar Hammerstein, en werd in Nederland vooral populair door de cover van Lee Towers.

Ook ontstaan moderne spreekwoorden op basis van bewust bedachte persoonlijke wijsheden en uitingen over de beproevingen van het leven, zoals bepaalde lijfspreuken, motto’s en stelregels. Bovendien komt het voor dat bestaande spreekwoorden expres worden aangepast, waardoor de betekenis anders wordt. De aangepaste spreuk kan vervolgens eveneens weer verworden tot een nieuw spreekwoord. En hoewel het niet altijd van belang is wie de geestelijk vader of moeder is van moderne spreekwoorden, kan er meestal wel worden achterhaald wie ze verzonnen heeft en wanneer.

Kun je zelf een spreekwoord maken?
Het zou toch wat zijn…je eigen spreuk tussen alle andere wijsheden in het spreekwoordenboek! Zou dat kunnen? Met andere woorden: kun je zelf ook een spreekwoord uitvinden? “Iedereen kan een zin maken die een waarheid bevat en klinkt als een spreekwoord,” stelt Mieder. “Maar dan ben je er nog niet: de spreuk heeft elementen nodig die er een écht spreekwoord van maken. Hij moet in omloop zijn onder het volk. Mensen moeten hem accepteren en regelmatig herhalen. Zowel verbaal als schriftelijk.” En dat gebeurt niet zo één-twee-drie: “Spreekwoord-achtige leuzen kunnen in de huidige tijd van computers en internet in luttele seconden de wereld over reizen. Maar blijven ze dan hangen? Als je kijkt naar de creatie van spreekwoorden door de eeuwen heen, kun je zien dat het mogelijk tientallen jaren of zelfs eeuwen duurt voordat een spreuk de status van een spreekwoord heeft bereikt.” Zelf heeft Mieder in ieder geval nog geen bewust bedachte spreekwoorden op zijn naam staan. “Maar wie weet, misschien blijft een van de kleine aforismen die ik altijd aan mijn studenten vertel wel hangen!” Het is volgens hem dan ook niet onmogelijk om zelf een spreekwoord uit te vinden: “Als de zin een algemeen belang bevat en goed geformuleerd is, zou deze met een beetje geluk geaccepteerd kunnen worden door andere mensen.”

Tijd dus om een poging te wagen. Komt ‘ie:

Dit door Marloes Zandbergen bedachte spreekwoord is toch een blijvertje?

Zal deze het spreekwoordenboek halen? Zeg nooit nooit.. De tijd zal het leren!

Marloes Zandbergen (1991) studeerde Culturele Antropologie en Journalistiek aan Universiteit Leiden en is altijd nieuwsgierig naar mensen, verhalen en achtergronden. Ze verdiept zich graag in interessante onderwerpen waarmee ze haar eigen kijk op de wereld, en wellicht ook die van anderen, kan verbreden.