stekelbaars

Evolutionaire verandering is het resultaat van willekeurige mutaties en natuurlijke selectie. De suggestie dat evolutie mogelijk een doel heeft, wordt meteen afgedaan als creationisme of intelligent design. Maar enkele biologen wagen zich nu in de gevarenzone door te stellen dat organismen hun eigen evolutie kunnen sturen.

Eerst en vooral is het belangrijk om aan te geven wat deze wetenschappers niet bedoelen. Ze zeggen niet dat evolutie een intrinsieke neiging heeft tot grotere complexiteit of intelligentie. Ze zeggen niet dat organismen hun mutaties kunnen sturen wanneer nodig. En zij zeggen niet dat organismen gewoonten, die zij tijdens hun leven leren, kunnen doorgeven aan hun nakomelingen volgens het model van Jean-Baptiste Lamarck.

Het fenotype achter het stuur
Maar wat zeggen ze dan? Organismen passen hun uiterlijk (fenotype) voortdurend aan tijdens hun leven, in tegenstelling tot hun genetische opmaak (genotype), om beter om te gaan met de omgeving waarin ze zich bevinden. Zij groeien verschillend doordat zij hun lichaam op een bepaalde manier gebruiken, ze zetten bepaalde genen aan of uit, zij leren nieuwe gedragspatronen, enzovoort.
Geen enkel van bovenstaande veranderingen is evolutie, aangezien zij niet direct leiden tot een verandering in de genetische opmaak van een organisme. Maar zij bepalen wel de manier waarop natuurlijke selectie inwerkt op deze genen, en zo evolutie in een andere richting duwt. De genen, die altijd gezien werden als de belangrijkste bestuurders van de evolutionaire wagen, geven het stuur dus door aan het fenotype. Wanneer het fenotype verandert voor een bepaald doel, dan kunnen de genen dit effect vergroten door mee te liften.

Misvattingen

De evolutietheorie: wie kent ‘m niet? Toch doen zich over deze theorie nog flink wat misvattingen de ronde. Eerder zette Jente de drie belangrijkste misvattingen hier op een rijtje.

Stekelbaarzen
Hoewel het model vooral theoretisch is, komen de aanhangers met enkele voorbeelden naar voren. Neem bijvoorbeeld stekelbaarzen in Canada, die meestal migreren tussen zoet- en zoutwater. Deze vissen kunnen wisselen tussen twee verschillende lichaamsvormen, afhankelijk van hun locatie (zoet- of zoutwater) en het bijbehorende dieet: planktoneters hebben grote ogen en slanke lichamen, terwijl bodem-eters zwaarder zijn met kleinere ogen. Daarnaast hebben de kaken een zeer verschillende morfologie, aangepast aan de voedingswijze. Sommige stekelbaarzen hebben echter ‘besloten’ om permanent in een zoetwatermeer te leven. Zij specialiseerden zich ook op een bepaalde voedselbron, maar hier bepalen genen grotendeels de lichaamsvorm van de vis, en niet de locatie of het dieet. Met andere woorden, de genen hebben de controle overgenomen van wat eens een puur ontwikkelingseffect was.

Dit nieuwe model zal ongetwijfeld voor discussie zorgen onder evolutiebiologen. Het controversiële idee dat organismen hun eigen evolutie kunnen sturen door bepaalde fenotypische veranderingen gaat lijnrecht in tegen het huidige model waarin de genen de belangrijkste eenheid van selectie zijn. Een absolute ommekeer is echter zeer onwaarschijnlijk. Het nieuwe model is zeer theoretisch en de voorbeelden uit de praktijk zijn (voorlopig) schaars.

Jente Ottenburghs (1988) heeft sinds zijn Master Evolutie en Gedragsbiologie aan de Universiteit van Antwerpen een brede interesse voor evolutionaire biologie. Sinds mei 2012 werkt hij als PhD-student bij de Resource Ecology Group aan de Universiteit van Wageningen. Meer informatie over zijn onderzoek vindt u hier.