Hitler had, tijdens zijn laatste dagen, nog één droom: een wereldberoemd museum dat alle musea in de wereld zou overtreffen. Tijdens de oorlog liet hij een kwart van alle Europese kunst roven; op legale en illegale wijze.

In het boek ‘De plunderaars, de nazi-obsessie met kunst’ beschrijft Anders Rydell waar de liefde voor kunst vandaan kwam, hoe wereldberoemde werken geroofd werden en wat er na de oorlog gebeurde met de gestolen kunstwerken.

De Plunderaars
Hitler’s droom
“Niets mocht er overblijven voor de wereld na hem op één ding na, dat Hitler noemde in zijn testament: ‘De schilderijen in de collecties die ik in de loop der jaren heb aangekocht, heb ik nooit voor particuliere doeleinden verzameld, maar enkel voor de inrichting van een kunstgalerij in de stad van mijn jeugd, Linz a/d Donau. Het is mijn innige wens dat dit legaat ten uitvoer wordt gebracht.’” De industriestad waar Hitler opgroeide, had het culturele centrum van de wereld moeten worden. Zijn architecten, Albert Speer en Hermann Giesler maakten het ontwerp; de maquette, waar men vijf jaar samen met de Führer aan werkte, werd op 13 februari 1945 in de bunker te Berlijn opgesteld. Het geplande Führermuseum was de kers op de taart. Volgens Rydell was Hitler bezeten van het ontwerp. In zijn boek schrijft hij: “Het moest aan het eind van de grote boulevard komen te staan, een kunstmuseum dat zich niet alleen met het Louvre, de Hermitage en het Metropolitan Museum of Art zou kunnen meten maar deze zelfs zou overtreffen. Een honderdvijftig meter lange voorgevel van marmeren zuilen zou de bezoekers in verrukking brengen. Daarachter zou zich ‘s werelds belangrijkste kunstcollectie bevinden, die van Adolf Hitler zelf.”

Populaire kunst: Rembrandt
De Nazi’s waren dol op de kunst van Rembrandt; zij maakten hem zelfs een ‘edelgermaan’, produceerden een speelfilm over zijn leven en de schilder kreeg zelfs een eigen postzegel. Volgens Rydell waren de nazi’s dol op Rembrandt’s gebruik van licht en donker in zijn kunst. “Zij gebruikten dit effect zelf ook; vaak in propaganda en in het organiseren van massa-bijeenkomsten. Het boek van Julius Langbehns is een andere indicatie; hij schreef dat Rembrandt eigenlijk een pure Duitser was en dat zijn artistieke kijk op de wereld uit Duitsland vandaan kwam.”

De geboorte van een obsessie
Waarom moest alles uit het Derde Rijk vernietigd worden op kunst na? Hitler’s obsessie met kunst verklaart Rydell door te menen dat Hitler niet een politicus met een interesse in kunst was, maar een kunstenaar met een politieke interesse. “Alles wat hij deed had iets artistiek; zo waren de bijeenkomsten van de nazi’s grote artistieke vertoningen, geïnspireerd door de opera’s van Wagner. Ik denk dat hij de wereld zag met de blik van een gestoorde kunstenaar; schoonheid was altijd belangrijker dan medeleven.” Een andere verklaring voor de obsessie met kunst zoekt Rydell in de periode van de Duitse romantiek; rond 1800. In die tijd ontstond het Duitse pan-nationalisme dat uiteindelijk zou uitmonden in de oprichting van het Duitse Keizerrijk in 1871. Uit de industrialisatie die daarop volgde ontstonden begrippen als ‘völkisch’. “Dit is een verzamelbegrip voor allerlei min of meer georganiseerde groeperingen, bonden en organisaties die ideeën uit de Romantiek paarden aan een fanatiek nationalisme. Taal, ras, streek van herkomst en de unieke culturele geest vormden het bindmiddel dat het Duitse volk bijeenhield.” Kortom: kunst gaf de superioriteit van het Duitse volk weer.

Hermann Göring en Hitler op 22 mei 1939. Foto afkomstig uit het Bundesarchiv.

Hermann Göring en Hitler op 22 mei 1939. Foto afkomstig uit het Bundesarchiv.

De rooftocht
Om de droom van de Führer te verwezenlijken, moest niet alleen worden gebouwd maar ook een inhoud verzameld worden; waardig aan de wensen van Hitler. Die verzameling van kunst gebeurde op heel veel verschillende manieren; niet alleen de Duitse staat was betrokken, maar ook zelfstandige organisaties, afzonderlijke nazi’s, kunsthandelaren, zakenlieden, gelukszoekers en ieder ander die zich met het verkrijgen van kunst kon verrijken. In totaal werd maar liefst een kwart van alle kunstwerken in Europa geroofd. Eén van de overduidelijke manieren om aan kunst te komen, was het stelen van Joden; zij die opgepakt werden raakten hun bezittingen kwijt. Maar soms werden Joden ook omgekocht. In ruil voor de kunstverzameling van de familie, kreeg men de kans om te vluchten. In sommige gevallen, zoals in dat van de Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudsticker, vluchtte men simpelweg en liet alles achter; de bezittingen van Goudsticker lagen voor het grijpen voor de nazi’s. Maar vaak was het roven van kunst een gecompliceerde zaak. Rydell: “Hitler had mensen in dienst die voor hem kunst verzamelden. Soms werd kunst gekocht, door middel van geld dat hij had verdiend met zijn boek ‘Mein Kampf’. Vaak was er sprake van een ‘gedwongen koop’; mensen werden gedwongen om hun kunstcollecties te verkopen. Op deze manier lieten de nazi’s hun praktijken legaal overkomen.” Daarnaast geloofden de Duitsers dat zij al in het bezit waren van vele museumstukken. “De nazi’s hadden niet het idee om kunst te kopen van musea omdat zij het al bezaten. Zij zouden immers heel Europa inlijven bij het Derde Rijk.” Individuele nazi’s waren volgens Rydell niet altijd trouw aan hun leider. Zo is er het voorbeeld van Hermann Göring; die het voorrecht had gekregen om zich persoonlijk met de kunstaankopen te bemoeien. “Hij had een eigen trein waar hij meerdere malen mee naar Amsterdam reisde om de musea aldaar te bezoeken. Daar werd hij zowel gevreesd als gewild; als hij iets wilde hebben, eigende hij het zich toe. Maar in sommige gevallen strooide hij met honderdduizenden Reichsmark en kocht hij regelmatig kunstwerken op zodat deze niet in de handen van Hitler zelf zouden vallen.”

Niet-populaire kunst: ‘Entarte’
De Duitsers waren niet dol op alle kunst in Europa. Moderne kunst (Entarte) viel ten prooi aan de nazi’s. Zo werden volgens Rydell werken van onder andere Picasso vernietigd. “Hitler was van mening dat kunst de natuurlijke vormen en het menselijk lichaam moest benadrukken. Moderne kunst, met haar nieuwe experimentele vormen, ging hier tegenin; volgens hem een misdaad tegen het menselijk ras en de natuur.” Niet alle moderne werken werden vernietigd; sommigen werden verkocht omdat de Nazi’s het geld nodig hadden.

Na de oorlog
Wanneer de Tweede Wereldoorlog ten einde loopt, komt de gestolen kunst in handen van zowel de westelijke geallieerden als het Rode Leger van Rusland. Stalin gaf een aantal speciaal getrainde conservatoren de opdracht om alles van waarde mee te nemen naar het oosten. De landen uit het westen hadden de beroemde ‘Monument Men’. Een speciale eenheid, genaamd ‘The Monuments, Fine Arts and Archives program’ (MFAA), bestond uit militairen met een achtergrond als curator, professor, bibliothecaris, architect of kunstkenner. Het was hun taak om de Europese kunstwerken te beschermen tegen vernietiging en plundering. Eén van hun meest belangrijke vondsten was de zoutmijn bij het dorpje Altaussee in de Oostenrijkse Alpen. Hier vonden zij maar liefst 6577 schilderijen, 954 prenten, 137 beeldhouwwerken, 129 wapens en wapenuitrustingen, 122 wandtapijten, 78 stuks divers meubilair, 1700 kisten met boeken en 283 kisten met niet nader omschreven inhoud. Vertegenwoordigde kunstenaars waren onder andere Michelangelo, Van Eyck, Johannes Vermeer, Rembrandt van Rijn en Peter Paul Rubens. Al snel na deze ontdekking bleek dat dit niet de enige kunstwerkenwaren die waren gestolen. Zo werd ook in het kasteel Neuschwanstein een even grote hoeveelheid aan kunst gevonden. De Amerikanen vonden daarnaast het privéterrein van Hermann Göring, waar dorpsbewoners sleepten met 17de-eeuwse gobelins, Perzische tapijten, antieke beelden, schilderijen uit de Renaissance en Görings champagne. In de daaropvolgende maanden werden ruim duizend opslagplaatsen gevonden met daarin gestolen kunstwerken. De reden dat alle kunst was weggestopt en niet al in het geplande museum hing, is volgens Rydell dat de nazi’s bang waren voor negatieve propaganda. “Het plan was om de rooftocht te legitimeren door middel van een internationaal verdrag wanneer de oorlog was gewonnen. Het bouwen van het museum en haar inhoud zou pas later komen.”

Een soortgelijk Perzisch tapijt uit Arak dat ook in het kantoor van Angela Merkel lag.  In 2013 bleek dat dit tapijt ooit door nazi Hermann Göring gestolen was. Klik voor en vergroting.  Bron: Wikipedia.

Een soortgelijk Perzisch tapijt uit Arak dat ook in het kantoor van Angela Merkel lag. In 2013 bleek dat dit tapijt ooit door nazi Hermann Göring gestolen was. Klik voor en vergroting. Bron: Wikipedia.

De meeste kunstwerken zouden uiteindelijk weer terugkomen bij hun rechtmatige eigenaren volgens Rydell. Hoewel dat in sommige gevallen heel lang heeft geduurd. In de jaren negentig, na een vijftig jaar durende rust, kwam men erachter dat vele kunstwerken die nooit waren teruggevonden voor onze neuzen hingen. Musea zoals het Louvre en het Metropolitan Museum of Art hadden vele honderden kunstwerken in bezit die ooit door de nazi’s waren geroofd van hun eigenaar. Nu nog duiken er regelmatig vermiste kunstwerken op bij grote internationale veilingen. Zo bleek in januari 2013 dat Angela Merkel, de bondskanselier van Duitsland, al een aantal jaar over een Perzisch tapijt liep dat ooit door Herman Göring gestolen was. Tot op de dag van vandaag worden nog steeds rechtszaken gevoerd om de gestolen kunstwerken. Rydell denkt niet dat alle gestolen kunstwerken ooit weer bij hun rechtmatige eigenaar terecht komen; zo schrijft hij in zijn boek: “Nazi-roofkunst is het onderwerp geworden van één van de meest omstreden en langdurigste conflicten in de kunstwereld. Een conflict dat overal ter wereld geleid heeft tot stormen van protest, nationale identiteitscrises en rechtszaken die zich tientallen jaren voortsleepten. Een conflict dat draait om kunstwerken die vele miljoenen waard zijn, om diplomatieke crises, doofpotaffaires en nazaten van slachtoffers van het nationaalsocialisme die de strijd aangaan om geroofde meesterwerken terug te krijgen. Adolf Hitlers gedroomde museum ging samen met het Derde Rijk ten onder, maar de kunstwereld zit nog steeds met de brokken.”