NASA heeft de volgorde van lancering van de allerlaatste shuttles omgegooid. Zo krijgen wetenschappers meer tijd om de deeltjesdetector aan te passen. De detector moet worden voorbereid op een langere tijd aan boord van het International Space Station.

In totaal gaan dit jaar nog drie shuttles de lucht in. Endeavour zou in juli opstijgen. En de laatste shuttle, Discovery, zou oorspronkelijk eind september opstijgen en het ISS van de laatste voorraden voorzien. Maar dat schema is nu radicaal omgegooid. In juli stijgt Discovery op en tegen november gaat Endeavour de lucht in.

Het omgegooide schema vloeit voort uit de beslissing van president Barack Obama om het ruimtevaartprogramma nog tot 2020 te verlengen. Dat betekent dat de deeltjesdetector nog een langere tijd mee moet dan werd aangenomen. Om de detector op zo’n langer leven voor te bereiden, moeten de nodige aanpassingen worden gedaan. Zo moet de magneet die nu op het apparaat zit en nog zo’n drie jaar mee gaat, worden vervangen door een magneet die nog tien tot achttien jaar mee kan. En dat kost tijd.

De deeltjesdetector – Alpha Magnetic Spectometer (AMS) – moet uiteindelijk aan boord van de Endeavour naar het ISS worden gebracht. Daar gaat de AMS op zoek naar antimaterie en andere onbekende vormen van materie. De wetenschappers krijgen het apparaat echter met geen mogelijkheid voor juli af. Vandaar dat de shuttles in volgorde zijn gewisseld en dat de laatste missie is uitgesteld.

De vertraagde shuttlemissie geeft het grootste deel van de 6000 tot 8000 medewerkers van het Kennedy Space Centre iets meer tijd om een andere baan te zoeken. Zij zijn hun werk na het opstijgen van de laatste shuttle namelijk kwijt.

De eerstvolgende lancering blijft gewoon staan. De shuttle Atlantis stijgt op 14 mei op.