Mogelijk kookten ze er wortels in, of aten een onfortuinlijk dier dat er per ongeluk in was gevallen.

Miljoenen jaren geleden aten onze voorouders voornamelijk plantaardig voedsel afkomstig van bomen en struiken. Maar wellicht stond er meer dan alleen koud voedsel op het menu. Want een nieuwe studie suggereert dat sommige mensachtigen, lang voordat ze vuur konden maken, mogelijk eten kookten in warmwaterbronnen.

Fossiele resten
Onderzoekers baseren zich op vondsten in het Oost-Afrikaanse land Tanzania. In de Olduvaikloof, een 50 kilometer lang ravijn in het oostelijke deel van de Serengeti in Noord-Tanzania, zijn al eerder overblijfselen van oude mensachtigen opgegraven. Deze mensachtigen leefden zo’n 1,8 miljoen jaar geleden. In de regio zijn veel fossielen en stenen werktuigen te vinden, die onderstrepen dat onze voorouders zich in het gebied gevestigd hadden.


Warmwaterbronnen
Nu heeft een nieuw onderzoeksteam ontdekt dat er rond diezelfde periode in de Olduvaikloof heuse warmwaterbronnen voorkwamen. Deze bevonden zich bovendien in de buurt van de nederzettingen van onze verre voorouders. En dat is interessant. Het betekent namelijk dat mensachtigen deze warmwaterbronnen mogelijk gebruikten als ‘fornuis’ en er bijvoorbeeld gevangen prooien in kookten. Mogelijk wisten mensachtigen dus lang voordat ze vuur konden maken, al hoe ze eten moesten verwarmen. “Voor zover we kunnen nagaan is dit de eerste keer dat wetenschappers concreet bewijs hebben geleverd voor de mogelijkheid dat mensachtigen hydrothermale bronnen gebruikten om in te koken,” zegt onderzoeker Roger Summons.

Tekening van mensachtigen die warmwaterbronnen gebruiken om voedsel in te koken. Afbeelding: Tom Björklund

De ontdekking is vrij onverwacht. In 2016 sloot onderzoeksleider Ainara Sistiaga zich aan bij een archeologische expeditie naar de Olduvaikloof, waar wetenschappers sedimenten verzamelden afkomstig van een drie kilometer lange laag rots die ongeveer 1,7 miljoen jaar geleden was afgezet. Deze geologische laag was opvallend, omdat de zanderige samenstelling ervan duidelijk verschilde van de donkere kleilaag er net onder, die 1,8 miljoen jaar geleden was afgezet. “Er was iets aan het veranderen in de omgeving,” zegt Sistiaga. “En we wilden gaan begrijpen wat er was gebeurd en hoe dit de mens beïnvloedde.” Gedacht wordt dat Oost-Afrika ongeveer 1,7 miljoen jaar geleden langzaam uitdroogde. Een nat, met bomen bezaaid gebied maakte plaats voor een droger en grasrijk terrein.

Bacteriën
Sistiaga nam een monster van zanderige rotsen verzameld uit de Olduvaikloof mee naar het laboratorium en analyseerde het op tekenen van bepaalde lipiden die residuen van bladgewas kunnen bevatten. Maar tot haar grote verbazing kwam Sitiaga lipiden tegen die er totaal anders uitzagen dan de plantaardige varianten die ze kende. Na een grondige inspectie kwamen de onderzoekers erachter dat deze lipiden niet door planten waren geproduceerd, maar door een specifieke groep bacteriën. Het team ontdekte dat de lipiden die Sistiaga had gevonden door een moderne bacterie gemaakt wordt, die onderzoekers eerder al uit de warmwaterbronnen van Yellowstone National Park hadden gevist.


De betreffende bacterie draagt de naam Thermocrinis ruber. Het organisme gedijt alleen in zeer heet water, zoals bijvoorbeeld in kokend hete bronnen. Zo zullen deze bacteriën niet eens kunnen groeien tenzij de omgevingstemperatuur boven de 80 graden Celsius uitkomt.

Het lijkt er dus op dat deze warmteminnende bacteriën, vergelijkbaar met de exemplaren die al eerder in Yellowstone National Park zijn ontdekt, ook zo’n 1,7 miljoen jaar geleden in Tanzania leefden. En dat kan betekenen dat er destijds warmwaterbronnen in de Olduvaikloof bestonden. Dat zou overigens helemaal niet zo vreemd zijn. De Olduvaikloof is namelijk een geologisch actief gebied. “Het is geen gek idee dat tussen al deze tektonische activiteit er ook hydrothermale vloeistoffen voorkwamen,” merkt Sistiaga op.

Koken
Omdat de regio waar het team de sedimenten verzameld had grenst aan de plaatsen waar vroeger mensachtigen woonden, is het goed mogelijk dat onze voorouders de nabijgelegen warmwaterbronnen voor kookdoeleinden gebruikten. Mogelijk stelden de bronnen hen in staat om wortels en knollen te koken. Of mogelijk dompelden ze het vlees van geslachte dieren in het water onder, om het zo wat smakelijker te maken. Sommige onfortuinlijke dieren zouden ook per ongeluk in het kokend hete water kunnen zijn gevallen, waarna mensachtigen ze eruit visten en opaten. “Als er een gnoe in het water viel en zo gekookt werd, waarom zou je die dan niet opeten?” aldus Sistiaga.

Hoewel hier veel voor te zeggen valt, is het helaas nog niet mogelijk om onomstotelijk vast te stellen of onze verre voorouders inderdaad warmwaterbronnen gebruikten om eten in te koken. Het team is van plan om verder te zoeken naar vergelijkbare lipiden en tekenen van hydrothermale bronnen in andere aardlagen en op andere plekken in de Olduvaikloof. Ook willen ze de omgeving van andere oude menselijke nederzettingen gaan onderzoeken. “We kunnen dan mogelijk bewijzen dat daar ook warmwaterbronnen aanwezig waren,” zegt Sistiaga. “Maar dit zou nog steeds niets zeggen over de manier waarop mensen ermee omsprongen. Dat is namelijk een kwestie van gedrag. En het is nou eenmaal heel moeilijk om het gedrag van uitgestorven soorten, die bijna twee miljoen jaar geleden leefden, te begrijpen. Wel hoop ik dat we in ieder geval bewijs kunnen vinden voor de aanwezigheid van soortgelijke warmwaterbronnen op andere belangrijke plaatsen voor de menselijke evolutie.”