Dansen laserstralen straks een regendans om een einde te maken aan de droogte? Wetenschappers zien er wel wat in.

In een nieuw experiment tonen onderzoekers aan dat lasers inderdaad in staat zijn om het weer te beïnvloeden. Het is niet voor het eerst dat de wetenschap controle probeert te krijgen over het weer. Eerder werd er al geëxperimenteerd met het in de lucht brengen van kleine deeltjes ijs. Het idee was dat water zich hier omheen kon verzamelen en uit kon groeien tot een wolk en regenbui.

Veelbelovend
Maar de ontwikkelde methodes zijn niet heel veelbelovend. En dus kijken de onderzoekers verder. Lasers leken een goede optie en experimenten onderschrijven dat.

WIST U DAT…

Luchtvochtigheid
De onderzoekers lieten bij diverse temperaturen, verschillende mates van luchtvochtigheid en uiteenlopende omstandigheden in de atmosfeer laserstralen los. Ze ontdekten dat de stralen leiden tot de groei van hele kleine waterdruppeltjes. Zelfs als de luchtvochtigheid slechts 70 procent is, kunnen die druppeltjes ontstaan. Helaas zijn ze nog te klein om regen te vormen, maar het is een begin.

Controleerbaar
De onderzoekers zijn met name te spreken over de controleerbaarheid van hun methode. Andere aanpakken, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van kleine stukjes ijs, zijn moeilijk te controleren. Het is namelijk lastig vast te stellen of het deze kleine deeltjes zijn die uiteindelijk tot regen leidden. Met lasers is dat ietsje gemakkelijker. Ze kunnen heel doelgericht en op vaste tijden worden ingezet. Door dat een aantal dagen achter elkaar te doen, kan gekeken worden welk effect de lasers werkelijk hebben.

Nog een lange weg te gaan
“We zijn nog ver verwijderd van het punt waarop lasers regen maken,” stelt onderzoeker Jérôme Kasparian. De deeltjes die door toedoen van de laser (middels chemische reacties) ontstaan, zijn te klein. “Ze zouden tien tot honderd keer groter moeten zijn om echt regen te produceren.”

Nader onderzoek is hard nodig, maar lasers lijken zeker een rol te kunnen spelen in de droogte, zo concluderen de onderzoekers in het blad Nature Communications.