In de prehistorie werden wereldveranderende uitvindingen gedaan. Maar door wie precies? En wat waren hun drijfveren?

De Amerikaanse wetenschapsjournalist Cody Cassidy schoor zichzelf met een scherf van obsidiaan, ’s werelds oudste scheermes. Hij volgde de laatste stappen van moordslachtoffer Ötzi – de oudste menselijke mummie (5700 jaar oud) die in Europa is gevonden – door de Pyreneeën en de Alpen, brouwde bier uit pap en vuurde een replica van de eerste pijl en boog af. De wetenschapsjournalist raakte geobsedeerd door wereldveranderende gebeurtenissen in de prehistorie. Wij noemen bijvoorbeeld de uitvinding van het wiel, het eerste kunstwerk, de eerste rit te paard, het eerste geval van pokken, de eerste voet gezet in de Amerika’s, de eerste zeep, het eerste biertje en de eerste naam. Maar niet alleen de gebeurtenissen zelf, maar juist ook de tot nu toe anonieme mensen achter die uitvindingen intrigeerden hem. Cassidy licht toe: “Bij de meeste reconstructies van de prehistorie worden individuen volkomen genegeerd en spreekt men eerder over volkeren dan over mensen.”

Wie at de eerste oester?
In zijn boek ‘Wie at de eerste oester?’ heeft Cassidy geprobeerd uitvinders uit de prehistorie met woorden te boetseren tot mensen die wij zo voor ons kunnen zien. Hij heeft een passende naam voor ze bedacht, beschrijft hoe ze eruit zagen, wat ze droegen en aten en vooral ook hoe zij dachten en wat voor omstandigheden en noden hen er toe brachten om tot hun uitvinding te komen. Het is een uitstekend leesbaar en inspirerend boek geworden, dat in hapklare brokken is onderverdeeld. Cassidy pakte zijn project multidisciplinair aan en raadpleegde wetenschappers uit diverse disciplines: van archeologen tot ingenieurs, van genetici tot juristen, van astrologen tot bierbrouwers. Achter in het boek zit een uitgebreide literatuurverwijzing.


Lang geleden
De auteur realiseerde zich dat het heel lastig is om ons te realiseren wat lange tijdsperiodes nu precies inhouden. “Voor ons is het verschil tussen 30.000 of 300.000 jaar geleden simpelweg ‘heel lang geleden’”. Om het wat inzichtelijker te maken, bedacht hij een klok met de welbekende indeling. Hij licht toe: “Als een dag staat voor de 300.000 jaren die er sinds de evolutie van de anatomisch moderne Homo sapiens zijn verstreken, zou de geschreven geschiedenis (pas, red.) om half twaalf ’s nachts beginnen. Dan zijn er dus 23,5 uur aan ‘prehistorie’ over, een plek die naar schatting zo’n 1,5 miljoen mensen hun thuis noemden. De eerste kleding werd ergens in Afrika 107.000 jaar geleden uitgevonden. Dat is om 2.34 uur in de middag. Het eerste meesterwerk werd 33.000 jaar geleden gemaakt in de Chauvet-grot in de Ardeche. Dat is even na negenen in de avond. En het eerste wiel werd 5400 jaar geleden uitgevonden: 25 minuten voor middernacht.”

“Prehistorische mensen zijn geen ongeletterde wilden, maar mensen met een encyclopedisch begrip van hun omgeving”

Prehistorisch noemt Cassidy mensen wier namen en verhalen niet zijn vastgelegd. Graag ruimt hij stereotyperingen over de prehistorie uit de weg. “Prehistorische mensen zijn geen ongeletterde wilden en louter holenmensen, maar mensen met een encyclopedisch begrip van hun omgeving,” schrijft hij. “Ze moesten weten welke planten dodelijk waren, welke je leven konden redden, welke groeiden in welk seizoen en waar. Ze moesten op de hoogte zijn van de patronen in de seizoensmigratie van hun prooi, enzovoort.”

De uitvinder van uitvindingen
Wie was nu die uitvinder van het eerste uur, ofwel wie vond uitvindingen uit? Dat gebeurde zo’n 3 miljoen jaar geleden, voordat er mensen bestonden, ergens in Afrika. Het was een vrouw, die Cassidy ‘Ma’ noemt: een jonge moeder. Qua uiterlijk en gedrag hield ze het midden tussen de Homo sapiens en chimpansees. Ze was zo’n 1.20 lang, woog rond de dertig kilo, en haar lichaam was behalve haar gezicht begroeid met een dikke, donkere vacht. Ze at vlees, wortels, knollen en vruchten. Ma kon haar baby niet op de grond alleen laten bij het verzamelen van voedsel: dan zou de baby een gemakkelijke prooi zijn voor roofdieren. Maar het dragen van de baby in bijvoorbeeld haar armen zou Ma te veel energie hebben gekost. Carla Wall-Scheffler, bioloog bij de Seattle Pacific University, concludeerde dat het dragen van haar baby Ma 25 procent meer energie moet hebben gekost dan normaal. Wall-Scheffler: “Het dragen van een baby is zo belastend, dat tweevoetigheid zelf een oplossing noodzakelijk maakte.” Ma vond een babydraagdoek uit, misschien wel een lus van klimplanten die ze om zichzelf heensloeg en waar ze een knoop in legde. “Zo vond ze een instrument uit dat waarschijnlijk de meest verstrekkende gevolgen aller tijden zou hebben: een babydraagdoek maakte niet alleen Ma’s last makkelijker, maar veranderde ook onze evolutie. Grote hoofden met bovenmaatse hersenen voor tweevoetige wezens hadden evolutionair gezien een doodlopende weg moeten zijn.” Dat dat niet zo is, is te danken aan de babydraagdoek. Ma’s uitvinding raakte wijdverbreid. De archeoloog Timothy Taylor vertelt dat kort na Ma onze voorouders een snelle groei van de hersenen doormaakten. “Deze dramatische groei, die erop uitliep dat moeders hun baby’s in een nog vroeger stadium ter wereld brachten, zou zonder draagdoek onmogelijk zijn geweest,” schrijft Cassidy. “En als Ma’s idee zich verbreidde, zou dat doen vermoeden dat Australopitheci (daartoe behoorde Ma) een beginnetje bezaten van wat wel eens de grootste vaardigheid van de Homo sapiens zou kunnen zijn: wij zijn een soort die ontzettend goed kan kopiëren.” Door de draagdoek werden niet alleen de bovengrenzen voor hoe groot onze hersenen konden worden uit de weg geruimd, ook werd de band tussen moeder en kind er sterker door. Doordat ze dichtbij elkaar waren, kon zich een vorm van communicatie, het begin van taal, ontwikkelen.


IJdelheid
In zijn boek licht Cassidy alle zeventien ontdekkingen veel uitgebreider toe dan in een artikel als dit mogelijk is. Op een prettige en humoristische manier neemt hij ons bij de hand en vertelt ook over andere motivatoren achter uitvindingen dan puur lijfsbehoud in het geval van Ma en haar baby. Zo vertelt hij aan de hand van het verhaal over de uitvinding van kleding – ‘het eerste kledingstuk was een fashion item’ – dat ijdelheid een krachtige motivator kan zijn voor technologische innovatie. De eerste kleding in Afrika werd ongeveer 107.000 jaar geleden gedragen: om 2.34 in de middag op Cassidy’s klok. De oudste afbeelding van kleding is zo’n 24.000 jaar oud.

Gecompliceerd
Tijdens het lezen van het boek ga je je realiseren hoe gecompliceerd de uitvinding voor ons zo simpel lijkende voorwerpen en mechanismen eigenlijk is, zoals pijl en boog en wiel en as. Er ligt vaak een uitgebreid denk- en ontwikkelingsproces aan ten grondslag, maar soms ook toevalligheden. Soms werd een uitvinding op meerdere plekken ongeveer tegelijkertijd gedaan. Het wiel zou in de oude wereld van de Azteken en de nieuwe wereld van de Europeanen zijn begonnen als een stukje speelgoed, gemaakt door een pottenbakkersvader of –moeder.

De auteur gaat ook uitgebreid in op de gevolgen van de uitvindingen. Zo leidde de uitvinding van het paardrijden tot de opkomst van de gelaagde samenleving. Lees Wie at de eerste oester? om erachter te komen hoe dat precies zit. Het hoofdstuk ‘Wie kreeg voor het eerst de pokken’ is dan weer interessant in het licht van de huidige corona-pandemie. Nieuwsgierig geworden? Je kunt het boek ‘Wie at de eerste oester?’ winnen! Scientias.nl mag namelijk vijf exemplaren weggeven. Kans maken? Reageer hieronder!