toekomst

Momenteel wordt het grootste deel van de kennis die op de universiteit wordt ontwikkeld, niet gebruikt. Dat moet anders. De wetenschap moet anders. Daarvoor pleiten diverse hoogleraren die die nieuwe vorm van wetenschap al omarmd hebben en als scientifist door het leven gaan: door de maatschappij bewogen en gedreven onderzoekers.

Wetenschappers. Waar denkt u aan bij het horen van die term? Wellicht aan een persoon in een witte labjas die het grootste deel van zijn carrière schuilgaat achter een computer, microscoop, telescoop, deeltjesversneller en andere wetenschappelijk gerei. Achter hem of haar een stoffige kast met daarin opgestapelde papers die getuigen van zijn of haar harde werken. Mooi voor op het CV of de subsidie-aanvraag, maar naar de resultaten wordt niet meer getaald.

Eén been in de maatschappij
Jarenlang konden wetenschappers daarmee wegkomen. Maar dat is aan het veranderen, concludeert Martine van Veelen. Ze is hoofd educatie bij Climate-KIC, een Europees initiatief om innovatie rond klimaatadaptatie en -mitigatie te stimuleren. Onder haar redactie verscheen afgelopen maandag het boek met de veelzeggende titel ‘Waarde van wetenschap‘. Het boek pleit voor een nieuwe wetenschapper. Eentje die zoals Van Veelen het zo mooi zegt “met één been in de academie en met één been in de maatschappij staat”. En die nieuwe wetenschapper moet met name op het gebied van duurzaamheid en klimaat toegepaste, innovatieve wetenschap gaan bedrijven.

“De wereldproblemen worden groter en complexer en oplossingen moeten uit de wetenschap komen, want daar zitten de knappe koppen”

De trends
Het pleidooi voor zo’n onderzoeker wordt door twee belangrijke trends gestaafd. “Aan de ene kant zie je dat de subsidies teruglopen. Een paar weken geleden maakte de Nederlandse overheid nog bekend minder te gaan investeren in wetenschap en innovatie,” vertelt Van Veelen in een interview met Scientias.nl. “Dat betekent dat universiteiten – die draaien op subsidies – op zoek moeten naar een nieuw businessmodel.” Maar er speelt nog meer. “Als maatschappij hebben we met veel grote problemen te kampen. Denk aan water- en voedselschaarste, overbevolking, klimaatverandering, enzovoort. Die problemen worden groter en complexer en vragen om innovatieve oplossingen. En die oplossingen moeten uit de wetenschap komen, want daar zitten de knappe koppen. Onderzoekers hebben werkelijk goede ideeën, maar ze doen er vaak weinig mee, simpelweg omdat dat hun core-business niet is. Ze worden immers uiteindelijk niet afgerekend op de toepassing van hun onderzoek, maar onder meer op het aantal publicaties dat ze op hun naam hebben staan.” En zo belanden goede ideeën in stoffige kasten. “We produceren wel veel kennis in Nederland, maar we laten het niet circuleren,” schrijft wetenschapper Jan Rotmans in het boek. “Met andere woorden: het komt niet op de juiste plekken terecht. Nu wordt in Rotterdam 99% van de kennis die op de universiteit wordt ontwikkeld niet gebruikt.”

Europa

Wetenschappers zijn doorgaans dus te weinig toegepast en innovatief bezig. Maar dat is niet alleen een Nederlands probleem. “Dat speelt wereldwijd, met uitzondering van enkele landen. In de VS doen ze dat bijvoorbeeld beter. Daar heb je Silicon Valleys waarbinnen wetenschappers samenwerken met bedrijven. Dat moet ook wel, want daar zijn niet zoveel overheidssubsidies voorhanden.”

Ondernemers
Maar hoe kunnen we dat veranderen? In het boek komen verschillende oplossingen aan bod. Ten eerste moeten onderzoekers zich meer gaan laten leiden door wat er in de maatschappij speelt en nodig is. “De wetenschap houdt zich voornamelijk bezig met fundamenteel onderzoek,” legt Van Veelen uit. “Waarbij vragen vanuit de markt en de samenleving niet per definitie als uitgangspunt dienen.” En dat moet anders, vindt ook onderzoeker Maarten Steinbuch, werkzaam aan de Universiteit Eindhoven. “We zijn niet meer de techniekaandragers van vroeger. We moeten probleemeigenaren worden van de dingen die misgaan in de maatschappij en daar oplossingen voor genereren. We moeten meer maatschappelijke verantwoordelijkheid opeisen.” Ten tweede moeten onderzoekers op zoek gaan naar samenwerking. Grote problemen reiken over de grenzen van faculteiten, ja zelfs de grenzen van de wetenschap heen. Dat betekent samenwerkingen tussen verschillende disciplines, met bedrijven, het MKB en overheden. Het vraagt om een nieuwe wetenschapper. Eentje die ondernemend is, out-of-the-box denkt en doet en uit zijn lab durft te stappen: een scientifist, zoals Rotmans het zo mooi noemt. “Ik ben scientist, activist en ondernemer. Ondernemer, activist en hoogleraar.”

“Je moet de hort op, je moet ondernemend zijn, je moet knokken voor je geld”

Commercieel
Lang niet alle onderzoekers zijn enthousiast over die bijzondere nieuwe taakomschrijving. Ze vragen zich af of het dan nog wel wetenschap genoemd mag worden. “Ze zijn bang voor de commercie,” erkent Van Veelen. “Ze vragen zich af of er dan nog wel onafhankelijk onderzoek kan worden gedaan.” Maar dat kan zeker, zo ondervinden de ondernemende hoogleraren in het boek. Sterker nog: dat kan dankzij de commercie! “Mensen die wel ondernemen, leveren geld op voor fundamenteel onderzoek.” Bovendien moeten we niet vergeten dat de schreeuw om toegepast innovatief onderzoek een noodzakelijke is: het kan niet anders. “Vroeger ging de hoogleraar achter zijn bureau zitten en kwam het geld wel binnen,” schrijft Rotmans. “Maar die stoffige oude leraar is over tien jaar uitgestorven. Je moet de hort op, je moet ondernemend zijn, je moet knokken voor je geld.”

waardeHet systeem
Niet alleen de wetenschapper zal moeten veranderen. “Het hele academische systeem moet anders,” stelt Van Veelen. “Wetenschappers moeten niet afgerekend worden op publicaties, maar bijvoorbeeld ook op het aantal patenten dat ze hebben aangevraagd.” Want waar zit de waarde van wetenschap nu in? In papieren ideeën of toepasbare technieken? Maar die cultuurverandering begint natuurlijk wel bij de onderzoekers. “We willen dat niet opdringen. In plaats daarvan willen we mensen inspireren door ze bijvoorbeeld met dit boek rolmodellen te geven waaraan ze zich kunnen spiegelen. Maar ook door ze plekken te laten zien waar het allemaal al gebeurt.” En die plekken zijn er. Ook in Nederland. “De technische universiteiten doen dat heel goed. Ze hebben een uitstekend valorisatiesysteem (een systeem om wetenschappelijke kennis en techniek te verzilveren, red.), incubators en instituten die het hele traject ondersteunen. Het resulteert in veel start ups en patenten en dat bewijst dat het werkt en dat het kan.”

De wetenschapper van de toekomst doet in niets onder voor zijn voorgangers. Hij is alleen anders. “Het is een onderzoeker die bezig is met relevante problemen in de maatschappij. Een onderzoeker die met één been in de academie en met één been in de maatschappij staat en een goed beeld heeft van de problemen. Een onderzoeker die ervoor zorgt dat de wetenschap onderdeel uit gaat maken van de maatschappij.” Hoelang het nog duurt voor die wetenschapper op grote schaal het daglicht ziet? “Universiteiten zijn heel klassieke instituten, dus dat kan even duren. Maar het kan net zo goed opeens heel snel gaan, want alleen zo kan de wetenschap overleven.”