Luther staat vooral bekend om zijn belangrijke rol in de Reformatie, maar hij had ook een ‘onfrisse’ kant: zijn aversie tegen joden.

Vandaag, op 31 oktober is het Hervormingsdag: de dag waarop Maarten Luther een begin maakte met de Reformatie door zijn pamflet met 95 stellingen op te hangen in de Duitse plaats Wittenberg. Of hij het daadwerkelijk opgehangen heeft of zijn stellingen alleen verstuurd heeft, daarover zijn de geleerden het oneens. Wel weten we dat hij via deze weg probeerde om mensen te informeren over de misstanden binnen de katholieke kerk wat betreft het afkopen van genoegdoening na de biecht. In 2017 is het precies vijfhonderd jaar geleden dat Luther de Reformatie startte. Rabbijnen Raphael Evers en Menno ten Brink en ook het Centrum Informatie en Documentatie Israël (Cidi) hebben in Trouw aangegeven dat kerken op die dag niet alleen moeten stilstaan bij de goede kant van Luther maar ook afstand moeten nemen van de ‘jodenhaat’ van de hervormer.

In de tijd van Luther

Was de visie van Luther betreft joden uniek in zijn tijd? Volgens Burger niet. Zo sprak ook Erasmus zich fel uit over joden. “In een brief van 10 maart 1517 looft hij Frankrijk, omdat dit land als enige vrij zou zijn van ‘”Boheemse schismatici, joden en half-joodse Maranen.'” Bijzonder fel waren de tot het christelijke geloof bekeerde jood Johannes Pfefferkorn en de hoogleraar en tegenstander van Luther: Johannes Eck, die de joden een ‘Godslasterlijk volk’ noemde. Ook een populair geschrift over het einde der tijden uit Straatsburg, gepubliceerd rond 1480, schrijft niet positief over joden. ‘”Verwacht wordt dat een grote groep joden, die tot dan ingesloten is bij de Kaspische Zee, kort voor het wereldeinde uit zal breken en de overige volkeren veel ellende zal berokkenen.'”

‘Over de joden en hun leugens’
In 1543 publiceerde Luther het boek ‘Von den Juden und ihren Lügen’ ofwel ‘Over de joden en hun leugens’. Hij beschreef joden onder andere als Gods- en profetenmoordenaars, woekeraars en duivelskinderen. Deze uitspraken zijn opvallend want eerder sprak Luther nog vol lof over de joden. Zo pleitte hij in 1523 voor het beëindigen van de maatschappelijke discriminatie van de joden en hun sterkere integratie in de christelijke samenleving. Dit schrijft professor Hans-Martin Kirn, werkzaam aan de Protestants Theologische Universiteit, in zijn onderzoek ‘Luther als wegbereider van Hitler? Over zin en onzin van een oude stelling’. Maar Luther veranderde van mening, zo blijkt, aan het einde van zijn leven.

Aan het begin van de Reformatie
Professor Christoph Burger, kerkhistoricus en voorheen werkzaam aan de Vrije Universiteit, vertelt aan Scientias.nl over de houding van Luther tegenover joden aan het begin van de Reformatie. “In een geschrift uit het jaar 1523 stelt Luther voor de joden vriendelijk tegemoet te treden, in de hoop dat zij zich vervolgens tot het christelijke geloof zouden bekeren. Hij schreef: ‘Ook zonder bekering en doop moeten joden maatschappelijk geïntegreerd worden. Zij zouden zich vrij mogen vestigen waar zij willen, zij zouden land moeten kunnen bezitten om het te bebouwen en zij zouden vrije beroepskeuze moeten hebben.'” Dit laatste zou er vervolgens ook voor zorgen dat Joden niet meer met geld hoefden te woekeren; iets wat de joden in die tijd vaak gehaat maakte. “Wel zat achter deze positieve uitspraken over joden dat Luther vurig hoopte dat de joden zich zouden bekeren”, benadrukt Burger. Deze houding van Luther tegenover joden blijkt ook uit zijn interpretatie van bepaalde Bijbelteksten. Zo stelt de Bijbel dat het Joodse volk Gods volk is en dat God het met eeuwige liefde lief heeft. “Luther was van mening dat de joden het volk zijn waarmee God een verbond heeft gesloten terwijl christenen ‘maar’ uit de heidenen gekomen zijn. Wel dacht hij dat de joden hun ‘roeping’ moeten accepteren. Doen ze dat niet, dan komen de christenen in hun plaats als het ‘uitverkoren volk’ van God.”

Maarten Luther, geschilderd door Lucas Cranach de Oude in 1529.

Maarten Luther, geschilderd door Lucas Cranach de Oude in 1529.

De ommekeer
Uiteindelijk werd Luthers hoop een grote teleurstelling: een massale bekering van joden bleef uit. In zijn laatste jaren radicaliseerde hij: de gedachte dat het einde der tijden binnen korte tijd zou plaatsvinden speelt hierin een belangrijke rol. “Hij begon apocalyptisch te denken” vertelt Burger. “Aan het einde van zijn leven meende hij een ‘anti-christelijke alliantie’ te ontwaren, gericht tegen de christenen die zijn ontdekking (God neemt de mens in genade aan, ook al is de mens in opstand tegen God) accepteerden. Tot deze ‘anti-christelijke alliantie’ rekende hij de rooms-katholieke kerk, de doopsgezinden, spiritualisten, moslims en joden.” Vanaf dit moment lijkt er sprake te zijn van ‘jodenhaat’; hij schrijft dan het boekje ‘Von den Juden und ihren Lügen‘. De term ‘jodenhaat’ is misleidend; volgens Burger is dit niet het juiste begrip. “Het was niet zo dat Luther joden ‘gehaat’ zou hebben, omdat zij joden waren, maar hij kon en wou niet accepteren dat zij Jezus Christus niet als de zoon van God wilden aannemen.”

Luther en Hitler: bestaat er een link?
“Hoe moet men zich de samenhang tussen laatmiddeleeuws, reformatorisch anti-judaïsme en de Holocaust als genocide voorstellen?” schrijft Hans-Martin Kirn in zijn eerder genoemde publicatie. “Wie een oppervlakkig antwoord zoekt, zal de weg van Luther naar Hitler snel vinden. Heeft de late Luther niet opgeroepen de synagoges in brand te steken en de samenleving judenfrei te maken, en heeft Hitler dat niet precies in zijn programma van de zogenoemde Endlösung van het joodse vraagstuk vertaald?” Het is volgens verschillende historici, waaronder Burger en Kirn, van belang om het ‘anti-joodse’ in zijn historisch perspectief te trekken. Een simpele aanname als ‘Luther als voorloper van Hitler’ is dan ook te kort door de bocht. Volgens Kirn maakt de specialist Langmuir onderscheid tussen drie soorten ‘jodenhaat’. Zo is er anti-judaïsme als een theologisch gemotiveerd concept om joden te begrijpen als ‘de religieus anderen’, antisemitisme als religieus gemotiveerde strategie om joden af te schilderen als mensen die zo ver gaan dat zij ritueel moorden, en antisemitisme als sociaal-economische en politieke vorm van discriminatie en marginalisering. Volgens Burger is er bij Luther sprake van theologisch gemotiveerd anti-judaïsme. “Bij Hitler daarentegen kan men wel van jodenhaat spreken. Hij is van mening dat het Germaanse ras superieur is en dat de joodse ‘Unter-Menschen’ (mensen die lager staan dan ‘echte mensen’) streven naar wereldheerschappij, ten koste van het ‘arische’ ras, waar de Germanen toe behoren.” Burger noemt het moderne antisemitisme dan ook een zelfstandig fenomeen, maar wel een fenomeen dat kon voortbouwen op jodenhaat die al bestond sinds de Romeinen in de eerste en in de tweede eeuw van onze jaartelling de joden uit Palestina verdreven. “Het werd joden steeds weer kwalijk genomen dat zij zich niet helemaal aanpasten, dat zij niet assimileerden.” Kirn schrijft in zijn artikel: “Pas rond het jaar 1870 hadden antisemieten van verschillende pluimage belangstelling voor Luthers late geschriften tegen de joden.”

Het titelblad van het boek  ‘Von den Juden und ihren Lügen’ geschreven door Maarten Luther.

Het titelblad van het boek ‘Von den Juden und ihren Lügen’ geschreven door Maarten Luther.

Hitler had de uitspraken van Luther volgens Burger absoluut niet nodig voor zijn eigen ‘rassenwaan’ en de Kristallnacht; de nacht waarop alle Joodse eigendommen in Duitsland werden geplunderd en/of in brand werden gestoken. “Volgens mij was Hitler vooral onder de indruk van de ideeën van Houston Stewart Chamberlain, die betoogd had dat het ‘arische ras’ veel waardevoller was dan het ‘semitische ras’. Ik neem aan dat Hitler zijn antisemitische opvattingen al helemaal gereed had, toen iemand als de Lutherse bisschop Sasse meende Luther bij andere nazi’s als een antisemiet aan te moeten bevelen.” Wat Luther van de Holocaust zou denken kunnen we niet weten maar Burger denkt dat hij het volgende gezegd zou hebben: “‘Jullie hebben mij helemaal niet begrepen. Het gaat mij niet om ‘ras’ (een begrip dat in zijn tijd geen rol speelde) maar om het christelijk geloof.’ En wel om de rechtvaardiging van de goddeloze mens, daar draaide het voor hem om.”