De laatste generatie die nog het verschil weet tussen online en offline, leeft vandaag en is dus reeds aan het uitsterven.

Ik kan me nog goed herinneren dat ik met mijn vriendinnen afsprak om ‘s avonds ‘online te zijn’. Het gesprek dat we die middag op het schoolplein waren begonnen, ging dan ‘s avonds op MSN verder. Hartstikke ouderwets, natuurlijk. Want de tieners van vandaag de dag zijn altijd online. “Ze groeien onlife op,” zo stelt Katleen Gabriels, doctor in de Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen en werkzaam aan de Vrije Universiteit Brussel. Hun online en offline ervaringen zijn compleet met elkaar verweven.

Altijd online
Het lijkt nogal een heftige conclusie. Maar Gabriels heeft een punt. “Men is tegenwoordig van in de wieg tot in het graf online,” zo vertelt ze aan Scientias.nl. “Al voor de geboorte van een kindje plaatsen ouders een eerste echo op Facebook. En dat gaat tot na de dood verder. Zo zie je bijvoorbeeld dat na het overlijden van iemand, op sociale media herinneringspagina’s worden aangemaakt. En zeker sinds de opkomst van het mobiele internet loggen mensen niet meer uit.” De appjes, likes en mentions op Twitter stromen een hele dag door binnen.

IoT

Onderzoeksbureau Gartner voorspelt dat tegen 2050 25 miljard objecten aan het internet gekoppeld kunnen zijn. Tel je daar laptops, smartphones en tablets bij op dan heb je het zelfs over 33 miljard objecten. Die objecten wisselen zelfstandig data uit en zoeken er zonder menselijke tussenkomst patronen in.

Internet of Things
Maar ook wie niet of nauwelijks op sociale media actief is, zal in toenemende mate merken dat zijn bestaan zich voor een groot deel online afspeelt. “Door het Internet of Things (IoT) gaat het publieke leven deel uitmaken van het internet,” stelt Gabriels. Het IoT (letterlijk: het internet der dingen) verbindt allerlei objecten (maar ook mensen) met elkaar. Het kan heel handig zijn als allerlei apparaten die je dagelijks gebruikt informatie uitwisselen. Want het betekent dat wij mensen minder hoeven te doen en minder hoeven na te denken. Een voorbeeldje: je hoeft je wekker niet meer te zetten, want deze weet – doordat hij in verbinding staat met je digitale agenda – zelf hoe laat hij af moet gaan. Je hoeft ‘s ochtends geen koffie meer te zetten of de verwarming omhoog te draaien, want de wekker laat je koffiemachine en thermostaat weten hoe laat je opstaat, zodat het huis wanneer je beneden komt niet alleen heerlijk warm is, maar bovendien al naar vers gezette koffie ruikt. Het lijkt misschien verre toekomstmuziek, maar dat is het zeker niet. “We zitten reeds midden in het Internet of Things-tijdperk,” benadrukt Gabriels. Misschien heb je een FitBit-tracker die gekoppeld zit aan je FitBit-weegschaal. Of misschien heb je een smartwatch die je gezondheid monitort en je via je smartphone laat weten hoe je ervoor staat. Zonder dat je je ervan bewust bent, ben je zo continu verbonden met het internet. “Uitloggen kan niet meer. Je hebt een heus online bestaan.”

Afbeelding: fancycrave1 / Pixabay.

Online pacemaker
En dat kan ons heel veel goeds brengen. Als voorbeeld haalt Gabriels haar recente gesprekken met cardiologen aan. “Zij maken gebruik van pacemakers die aan het internet gekoppeld zijn. Hierdoor zijn de cardiologen in staat om het hart van de patiënt op afstand in de gaten te houden. En als er afwijkingen worden geconstateerd, krijgt de patiënt een belletje en moet hij naar het ziekenhuis komen. Dat verhoogt de levenskwaliteit: mensen hoeven niet meer om de haverklap op controle te komen in het ziekenhuis. Maar je kunt je ook zorgen maken over hackers en de privacy.”

onlife1De prijs van Facebook
Want terwijl wij – en onze apparaten – continu online zijn, genereren we ook continu data. “Je mails, tweets, foto’s op sociale media en ander online gedrag laten steeds een afdruk achter,” zo schrijft Gabriels in haar recent verschenen boek ‘Onlife‘. “Net zoals je zoekopdrachten bij Google.” En al die informatie wordt opgeslagen. “Nog niet eerder hebben we in een maatschappij geleefd waarin zoveel informatie wordt opgeslagen,” benadrukt Gabriels in gesprek met Scientias.nl. En die informatie wordt grondig geanalyseerd (zodat Facebook je bijvoorbeeld relevantere advertenties kan tonen) en soms doorverkocht aan derden. “Je moet je bedenken dat je voor diensten waar je gratis gebruik van maakt – denk aan Facebook en Google – geen klant, maar een product bent. Je betaalt met je privé-gegevens.”

Niks te verbergen
Je zou er enigszins paranoia van kunnen worden. Maar de meeste mensen halen hun schouders op. Laat Facebook maar analyseren en laat de hackers maar hacken. Want ach, ze hebben toch niets te verbergen? “Een holle frase,” vindt Gabriels. Je denkt misschien niets te verbergen te hebben, maar toch is er altijd informatie die je liever voor jezelf houdt. Informatie die misschien niet direct belastend is, maar wel enigszins gênant of schade toe kan brengen aan je reputatie. “Je doet niets verkeerd als je, terwijl je een vast contract hebt, toch op zoek gaat naar een andere job, maar je wilt tegelijkertijd niet dat je werkgever hiervan op de hoogte is (…) In je neus peuteren achter het stuur, luid zingen onder de douche, struikelen op straat: allemaal onschuldig, al wil je vermoedelijk niet dat hier beeldmateriaal van wijdverspreid geraakt op het internet,” schrijft Gabriels. En dat data zomaar op straat kunnen komen te liggen, hebben we de afgelopen jaren herhaaldelijk gezien. In 2012 werden bijvoorbeeld de gebruikersnamen en wachtwoorden van miljoenen LinkedIn-gebruikers gehackt. “Wat verontrustend is, is dat LinkedIn die informatie niet grondig versleutelde, waardoor hackers ze konden decoderen als leesbare gegevens.”

“Dat we bedolven worden onder informatie, wil nog niet zeggen dat we ook goed geïnformeerd zijn”

Offline
Het privacy-vraagstuk is slechts één van de ethische uitdagingen waar we door de continue digitale verbondenheid in de onlife-maatschappij voor komen te staan. Gabriels noemt er in haar boek nog veel meer. En allemaal hebben ze één ding gemeen: het is lastig deze uitdagingen het hoofd te bieden. Moeten we dan maar offline gaan? Dat is geen optie, want het wereldwijde web heeft te veel voordelen. Moeten we dan de sociale media afzweren en onze smartphone inruilen voor een niet zo slimme – offline – telefoon? Dat is zinloos, want, Gabriels herhaalt het nog maar eens, uitloggen kan niet meer. Wanneer je sites bezoekt of elektronisch betaalt, ben je te traceren, je huis staat op Google Streetview en grote kans dat anderen wel eens foto’s van je maken en deze op sociale media slingeren. En met de opkomst van slimme steden zijn ook steeds meer auto’s aan het net gekoppeld. Hoe je het ook wendt of keert: je leven speelt zich ook online af.

Afbeelding: LoboStudioHamburg / Pixabay.

Actie
Maar dat wil niet zeggen dat je je dan maar bij de wat minder leuke kanten van dat online bestaan neer moet leggen. “We mogen niet passief zijn,” vindt Gabriels. Het is tijd voor een serieus debat over onze onlife-maatschappij en de uitdagingen die deze met zich meebrengt. “En we moeten beter op de hoogte zijn. We moeten ons wapenen en informeren zodat we in staat zijn om holle frasen zoals ‘Ik heb toch niks te verbergen’ te bekritiseren. Want dat we bedolven worden onder informatie, wil nog niet zeggen dat we ook goed geïnformeerd zijn.” Ook pleit Gabriels – terugkomend op het privacy-probleem – voor externe waakposten die moeten voorkomen dat grote bedrijven, maar ook overheden door big data te machtig worden en belangrijke waarden onder druk komen te staan. Nu wordt de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor het gebruik van data vaak bij de eindgebruiker gelegd. Maar het wordt tijd dat we die verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid bij de data- en computerprofessionals gaan leggen. “Zij hebben immers toegang tot de data, door ze te verzamelen, te verwerken, te analyseren en dergelijke meer. Zij weten ook wat ze ermee (willen) doen en wat er allemaal mee mogelijk is. Bijgevolg zijn zij het die moeten instaan voor aansprakelijkheid, controle en beveiliging, aangevuld met externe waakposten.” Grote bedrijven kunnen wat dit betreft nog wel wat leren van de wetenschap. “Wanneer ik aan de universiteit data wil verzamelen, dan ben ik verplicht een dossier te maken voor een ethische commissie. Daarin moet ik beschrijven hoe ik de data ga bewaren, wanneer ik deze ga vernietigen, enzovoort. Het verplicht je om daarover na te denken. Eenzelfde commissie zou je bij bedrijven en overheden moeten hebben.”

Er is een hoop werk aan de winkel. En aangezien de technologische vooruitgang een kluwen van voor- en nadelen is, is een klinkende oplossing voor alle uitdagingen die deze met zich meebrengt, niet nabij. Toch is Gabriels hoopvol. “De geschiedenis toont aan dat wanneer mensen een duidelijk doel voor ogen hebben, het onmogelijke werkelijkheid kan worden.” Maar welk doel dienen we in onze onlife-maatschappij dan precies na te streven? Gabriels kan er kort over zijn: “Technologische vooruitgang moet ethische vooruitgang zijn. Dat betekent dat het algemeen belang voorop moet staan.” Zoals gezegd: er is nog een hoop werk aan de winkel.